een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

03 augustus 2015

geen verloren tijd (91)


I:767-774

Na het vertrek van M. de Charlus kunnen Robert en Marcel eindelijk bij Bloch gaan dineren. De flauwe grappen van Bloch sr., overgenomen door zijn zoon, doen Marcel een beschouwing maken over de relatie tussen de appreciatie van meningen en de affectieve verhouding die men onderhoudt ten aanzien van de persoon door wie deze meningen worden geuit: soms hangt men opinies aan waarvan men de inferioriteit omwille van de liefde door de vingers ziet: de quelqu’un qu’on admire de confiance, on recueille, on cite avec admiration, des choses très inférieures à celles que, livré à son propre genie, on refuserait avec sévérité (768:29-32). Hetzelfde doet zich overigens ook voor bij schrijvers: ze zullen met instemming opvattingen of voorkeuren van hun geliefde personages vermelden, ook al zijn die opvattingen of voorkeuren inferieur aan die van henzelf. Dit toont aan: que dans l’état d’esprit où l’on «observe», on est très au-dessous du niveau où l’on se trouve quand on crée (769:2-3). 

Bloch sr. moet het vooral hebben van gewichtig verwoorde anekdotes over beroemde mensen, die hij ter sprake brengt alsof hij hen persoonlijk kent – wat echter niet het geval is; het verschaft hem slechts een importance illusoire (771:25). Zo is zijn oordeel over de door Marcel bewonderde schrijver Bergotte ook niet door rechtstreeks contact of een grondige lectuur ingegeven, maar door wat de roddelpraatjes (les racontars du parterre (770:28-29)) en de literaire kritiek hem aanreiken. Dat hij zijn eigen meninkjes op deze halve en onjuiste kennis baseert en niettemin met aplomb verkondigt, is te wijten aan zijn zelfverzekerdheid of eigenliefde. En die wordt dan weer in stelling gebracht om zijn minder gunstige positie in de sociale hiërarchie te compenseren. Zo vindt Bloch sr. diegenen die onder hem gestratificeerd zijn beklagenswaardig, terwijl hij wie hoger in rang staat nomme et calomnie sans les connaître, juge et dédaigne sans les comprendre (770:41-42). En als dat niet volstaat, is er de afgunst, die iemand doet zeggen dat hij een grotere geest niet wil kennen in plaats van dat hij hem niet kan kennen.

In dit complexe maar virtuoos gespeelde spel van sociale distincties verbloemt Bloch sr. zijn eigen onbeduidendheid. Zo pocht hij dat Bergotte in zijn joodse club niet eens welkom is. En hij vindt hem ook niet geschikt om te worden opgenomen in de Académie Française. M. Nissim Bernard, de oom van Bloch sr. Die ook aanwezig is op het diner waar Robert en Marcel aanzitten, heeft Bergotte een paar keer op premières gezien en vindt hem une espèce de Schlemihl (773:25). Bloch sr. heeft echter niet graag dat zijn oom zo openlijk antisemitisch is als er gasten in huis zijn en hij laat hem dat duidelijk voelen. Hij betwijfelt of Nissim wel zo stijf in de leer is: Vous seriez le premier à lui lêcher les pieds s’il était là (774:18-19). Deze kwaadheid wordt wellicht ook ingegeven, merkt Proust fijntjes op, door de frustratie over de afhankelijkheid van Bloch sr. ten aanzien van zijn oom: hij woont in een eigendom van Nissim.

01 augustus 2015

geen verloren tijd (90)


I:763-767


Het gesprek neemt een wending. Charlus begint over een van zijn huizen, nu in het bezit van een Joodse familie, die het eigendom met weinig respect heeft behandeld. Deze passage bevat een interessante opmerking over fotografie (want er is van het huis een foto beschikbaar): La photographie acquiert un peu de la dignité qui lui manque, quand elle cesse d’être une reproduction du réel et nous montre des choses qui n’existent plus. (764:36-38) In die tijd had de fotografie nog niet de adelbrieven verworven die ze nu heeft: van een volwaardige kunstvorm die veel méér is dan een hulpmiddel om de veranderende werkelijkheid, en dus het verleden, vast te leggen en het om die reden niet moet afleggen tegen de schilderkunst.

De lezer zou in Charlus’ afkeuren van de manier waarop de familie Israël met zijn voormalige bezitting is omgesprongen een neiging tot antisemitisme kunnen ontwaren: Pour cela, ces Israël devraient être en prison. Il est vrai (…) qu’il y a sans doute tant d’autres choses pour lesquelles ils devraient y être ! (765:6-9) 

Marcel wordt door zijn oma naar bed gestuurd. Hij gehoorzaamt, uiteraard tegen zijn zin. Maar hij krijgt boven nog het onverwachte bezoek van Charlus! Daar is hij blij mee want hij zat er al mee in dat Saint-Loup Charlus zou hebben verteld dat hij, Marcel, bang is om zich aan de nacht uit te leveren. Charlus, die een boek van Bergotte mee heeft voor Marcel, heeft dat inderdaad opgevangen, maar hij vindt het niet erg: Je m’efforce de tout comprendre et je me garde de rien condamner (766:9-10). Overigens, vindt Charlus, heeft Marcel niet te klagen want hij kan met zijn hunker naar genegenheid terecht bij zijn grootmoeder. En, voegt hij eraan toe, c’est une tendresse permise, je veux dire une tendresse payée de retour (766:15-17). In die opmerking klinkt verdriet door, en in de toevoeging die erop volgt venijn : Il y en a tant dont on ne peut pas dire cela! (766:17) Er zijn zoveel vormen van verboden genegenheid!

Dan begint Charlus zich erg vreemd te gedragen. Hij zegt dat hij nog een tweede boek van Bergotte voor Marcel heeft en staat erop – hoewel de jongen zegt dat hij met één boek voorlopig wel genoeg heeft – om het te laten ophalen door de maître d’hôtel die, o ironie, Aimé heet. Maar Aimé is al gaan slapen en na wat opschepperig gezanik tegen de piccolo van dienst laat Charlus dan toch het plan varen. De volgende dag verrast hij Marcel op het strand door te proberen hem kwaad over zijn grootmoeder te doen spreken. Marcel verzet zich hiertegen, waarop Charlus hem twee lessen voorhoudt: la première, c’est de vous abstenir d’exprimer des sentiments trop naturels pour n’être pas sous-entendus (‘om niet stilzwijgend aangenomen te worden’); la seconde, c’est de ne pas partir en guerre pour répondre aux choses qu’on vous dit avant d’avoir pénétré leur signification (767:14-18). Charlus vraagt hem ten slotte ook nog het boek van Bergotte, dat hij hem de avond voordien had uitgeleend, terug te laten bezorgen. Marcel zal het enige tijd later terugkrijgen, dans une reliure de maroquin sur le plat de laquelle avait été encastrée une plaque de cuir incisé qui représentait en demi-relief une branche de myosotis (vergeet-me-nietje; 767:35-38). Geen kruit verschieten aan wat vanzelfsprekend is of onbegrepen: de manier waarop Charlus Marcel de levieten leest, maakt beslist indruk en Marcel, de latere schrijver, zal deze les zijn leven lang onthouden.  

30 juli 2015

geen verloren tijd (89)



I:758-763

Saint-Loup, M. de Charlus en Mme de Villeparisis maken aanstalten om te vertrekken naar een lunch bij de prinses van Luxemburg. Charlus vraagt aan Marcel of hij ’s avonds samen met zijn grootmoeder thee komt drinken bij Mme de Villeparisis. Uiteraard gaan Marcel en zijn grootmoeder in op deze uitnodiging. Maar wanneer ze bij Mme de Villeparisis hun opwachting maken, moet Marcel ondervinden dat Charlus lijkt of voorwendt te zijn vergeten dat hij hen heeft uitgenodigd! Dat ervaart Marcel uiteraard als vernederend, en met un scrupule de précision (760:9), die ook Proust kenmerkt, probeert hij hiervoor een verklaring te vinden. Wellicht wil Charlus in het bijzijn van zijn vrienden het niet geweten hebben dat hij lieden heeft uitgenodigd die lager in rang staan.

Marcel observeert hoe Charlus kijkt. Charlus kijkt Marcel met een doordringende blik aan avec le même sérieux, le même air de préoccupation (760:41-42) als was dat gezicht van Marcel un manuscrit difficile à déchiffrer (760:43). De redacteurs die Prousts manuscripten onder handen moesten nemen, zullen bij deze zin wel gegrijnsd hebben.

Charlus lijkt, zo vindt Marcel, in zich een gevaarlijk en tragisch geheim te verbergen en moet, om de openbaring ervan te verhinderen, voortdurend op zijn hoede zijn. Hij kijkt schichtig om zich heen, inderdaad zoals ces marchands en plein air qui, tandis qu’ils débitent leur boniment (‘terwijl ze hun praatjes verkopen’) et exhibent leur marchandise illicite, scrutent, sans pourtant tourner la tête, les différents points de l’horizon par où pourrait venir la police (759:29-32). Deze vergelijking die Charlus op één lijn zet met illegale marktkramers, stond al op de bladzijde waarop Marcel merkt dat de fat lijkt te zijn vergeten dat hij Marcel en diens grootmoeder heeft uitgenodigd. Proust bereidt zijn observatie van het enigmatische karakter van Charlus’ inborst goed voor!

Marcel verwondert zich erover dat Charlus zo kil naar hem kijkt, terwijl hij toch vriendelijk met oma staat te kouten! De enige verklaring die de jongen hiervoor kan bedenken, is dat Charlus iets heeft tegen mannen, en dan vooral tegen jonge mannen. Je compris que ce qu’il reprochait surtout aux jeunes gens d’aujourdhui, c’était d’être trop efféminés (762:4-6). Hier lijkt Charlus wel enigszins in tegenspraak met zijn eigen allure want waar hij pleit voor mannelijkheid, kan hij toch ook zeer vrouwelijk verfijnd zijn – dat blijkt uit het gesprek want daarin heeft hij het over zijn begrip voor het verdriet dat Madame de Sévigné ondervond toen zij van Madame de Grignan gescheiden werd. Marcels grootmoeder is verrukt dat Charlus hier uit het hoofd een hele passage uit een brief van Mme de Sévigné weet op te zeggen. Later zullen Marcel en zijn grootmoeder overwegen dat Charlus, om dergelijke délicatesses, une sensibilité féminines (762:36-37) aan de dag te kunnen leggen, zeker de invloed van vrouwen in zijn omgeving heeft moeten ondergaan. Grootmoeder denkt daarbij aan Charlus’ moeder of aan zijn dochter, als hij er een zou hebben. Marcel is wereldwijzer: het moet een maîtresse zijn want hij herinnert zich hoezeer Saint-Loup door zijn maîtresse was beïnvloed, in die mate dat Marcel beseft à quel point les femmes avec lesquelles ils vivent affinent les hommes (762-763:43-1).

Het gespreksonderwerp op de thee bij Mme de Villeparisis, de veronderstelde fijngevoeligheid van Madame de Sévigné, wordt nog even uitgesponnen. Zij smaakte het genoegen om, na het vertrek van Mme de Grignan, nog in het gezelschap van haar dochter te mogen vertoeven. En, zo fleemt Charlus met een citaat van La Bruyère: ‘Être près des gens qu’on aime, leur parler, ne leur parler point, tout est égal.’ (763:7-9) Het is altijd een beetje riskant om een gesprek, ook al is het een societygesprek dat stijf staat van de vormelijkheid, met dergelijke dooddoeners neer te meppen.

Mme de Villeparisis merkt nog op dat het in het geval van Mme de Sévigné gaat om de liefde voor haar dochter en dat het dus niet om ‘echte liefde’ ging. Charlus is niet akkoord. Niet het voorwerp van de liefde is belangrijk, maar het feit dát je liefhebt. En hij voegt er aan toe dat wat Mme de Sévigné voelde voor haar dochter de echte passie benadert, zoals die bijvoorbeeld door Racine werd beschreven. Saint-Loup is dan weer niet zo geporteerd voor Racine, maar Charlus duldt geen tegenspraak: Il y a plus de vérité dans une tragédie de Racine que dans tous les drames de monsieur Victor Hugo (763:30-31), beweert hij met aplomb. Marcel spitst de oren en merkt op, niet zonder enige kwaadaardigheid, dat Charlus’ stem, ook al beroept hij zich op een macho-imago, wel erg vrouwelijke toonhoogten haalt.

Zowat alles in deze passage, of het nu gaat om de indruk die Charlus maakt of de invloeden die hij heeft ondergaan, of over het voorwerp van de liefde van Mme de Sévigné…, draait om het verschil tussen de geslachten. Een spanning wordt hiermee opgebouwd die, op de volgende bladzijden, waarin Proust vertelt over de onheuse manier waarop Charlus Marcel behandelt, schier ondraaglijk wordt.

geen verloren tijd


*