een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

13 augustus 2015

geen verloren tijd (94)



I:787-798

Marcel moet tijdelijk het gezelschap van Saint-Loup ontberen. Bovendien wordt hij alsmaar zieker, wat hem gevoeliger maakt voor de verwikkelingen die eigen zijn aan de fase van de adolescentie waarin hij nu is aanbeland: hij heeft de neiging overal Schoonheid te zoeken (met hoofdletter) en die dan ook te vinden. Ook in zaken of personen die op het eerste gezicht een dergelijke kwalificatie niet verdienen.

Het is op dat moment dat Marcel op het einde van de boulevard een groepje jonge meisjes ziet opdagen. Met hun warrelende bewegingen doen ze hem aan een zwerm meeuwen denken. Een houdt een fiets aan de hand, twee dragen golfsticks. En ze zijn allemaal fleurig gekleed. Het is het moment van de dag dat de mensen graag over de dijk flaneren, goed wetend dat ze gekeurd worden door wie op de zijdelings opgestelde banken zit toe te kijken. De meisjes bewegen zich avec la maîtrise de gestes que donne un parfait assouplissement de son propre corps et un mépris sincère du reste de l’humanité (789:28-30), en ze wijken voor niemand als vormden zij samen een machine die, eens op gang gebracht, niet meer te stoppen is.

Marcel vraagt zich af hoe het komt dat ál deze meisjes mooi zijn. Waarschijnlijk speelde het als criterium bij de vorming van hun groep? Of was het doordat zij behoren tot een sociale klasse waar ruimte is voor lichaamscultuur?

Het moment duurt voor Marcel aanvankelijk te kort om al zijn aandacht naar één van de meisjes te laten uitgaan: hun uiterlijke kenmerken vloeien in elkaar over comme une musique où je n’aurais pas su isoler et reconnaître au moment de leur passage les phrases (790:10-12) – de schoonheid die hij ervaart blijft un flottement harmonieux, la translation continue d’une beauté fluide, collective et mobile (790:19-21). Wat verderop (na de identificatie van individuele trekken) wordt deze indruk van eenheid herbevestigd: het groepje vormt un tout aussi homogène en ses parties qu’il était différent de la foule au milieu de laquelle se déroulait lentement leur cortège (793:38-40).

Die identificatie van individuele trekken komt op gang doordat er een van de meisjes uit de band springt door met een frivole sprong een oude man aan het schrikken te brengen. Zij trekt Marcels aandacht met haar groene ogen waarin hij une timidité honteuse et fanfaronne (‘vrijpostig’; 792:15) bespeurt. Stilaan kan Marcel alle meisjes eigen trekken aangemeten. Hij vangt uit hun gesprek een – naar zijn smaak – vulgaire uitdrukking op (vivre sa vie (793:9)) en komt tot de veronderstelling dat deze meisjes les très jeunes maîtresses de coureurs cyclistes (793:13) zijn. En tous cas, dans aucune de mes suppositions, ne figurait celle qu’elles eussent pu être virtueuses. (793:14-15) En hij baseert zijn oordeel niet op een vluchtige waarneming, zoals hij er soms heeft ten aanzien van passantes vanuit het rijtuig van Mme de Villeparisis, wanneer hij vanuit een detail als het ware het volledige beeld moet reconstrueren dat dan ook – hoe kan het anders – vaak fout is. Neen, hier heeft hij de kans om de meisjes vanuit meerdere hoeken waar te nemen, wat hem toelaat om het geheel juist samen te stellen, waardoor het mogelijk wordt pour voir subsister en eux, à travers les expressions successives, quelque chose d’inaltérablement matériel (797:29-31). Dat maakt de indruk van onbereikbaarheid van deze meisjes en het geheimvolle plezier dat ze lijken te beloven, voor Marcel compleet. Ja, het ziet er zelfs naar uit dat hij zal moeten sterven sans avoir jamais su ce qu’était cet autre plaisir (798:11).  

Marcels bijzondere aandacht gaat uit naar het meisje met de fiets aan de hand, een brune aux grosses joues (793:41-43). Hij ervaart een grote kloof tussen zijn eigen leefwereld en haar monde inhumain, een inaccessible inconnu où l’idée de ce que j’étais ne pouvait certainement ni parvenir ni trouver place (794:2-3). Zo groot is het verschil in Marcels aanvoelen, dat hij een astronomische vergelijking nodig heeft om het te duiden: het is alsof dit meisje van een andere planeet komt. En toch, hoe vreemd ook, is dit meisje een mens; de glans in haar ogen is niet iets louter materieels maar ook een vertaling van ses désirs, ses sympathies, ses répulsions, son obscure et incessante volonté (794:28-29). Deze combinatie van absolute vreemdheid en herkenning doet in Marcel een groot verlangen ontstaan, het opent zijn wereld, die tot nu toe in zichzelf besloten was. Ook hier heeft dus krijgt, net als bij het madeleinekoekje, een kleine gebeurtenis bijzonder grote gevolgen: in de aanblik van de passerende meisjes opent zich een hele wereld. Et c’était par conséquence toute sa vie qui m’inspirait du désir; désir douloureux, parce que je le sentais irréalisable, mais enivrant, parce que ce qui avait été jusque-là ma vie ayant brusquement cessé d’être ma vie totale, n’étant plus qu’une petite partie de l’espace étendu devant moi que je brûlais de couvrir, et qui était fait de la vie de ces jeunes filles, m’offrait ce prolongement, cette multiplication possible de soi-même, qui est le bonheur. (794:31-39) De pijnlijke vermindering, die het gevolg is van het besef dat er nog iets anders is dan het zelf, geeft meteen ook uitzicht op vermeerdering – en dat is het geluk.

Marcels langdurige staren naar de brunette met de dikke kaken doet gegniffel ontstaan en hij beseft dat het voor hem al even moeilijk zal worden om in dit gezelschap te worden opgenomen als dat een toeschouwer van een fresco waarop een optocht is afgebeeld daarin een plaats zou kunnen innemen. Maar precies deze onmogelijkheid maakt het verlangen groter – mochten deze meisjes op dezelfde manier als hoeren kunnen worden veroverd, zij zouden lang niet zo interessant zijn als ze nu lijken omdat ze in dat geval hun onbereikbare achtergrond niet met zich zouden meevoeren.

08 augustus 2015

geen verloren tijd (93)

I:778-787


Kort na het diner verneemt Marcel van Françoise dat er een jongeheer voor hem is langsgekomen. De dienstbode weet echter niet wie het was. Wanneer zij verneemt dat het Bloch moet zijn geweest, is ze enigszins teleurgesteld: de jongeman had er, vond ze, nogal gewoontjes uitgezien. Bij een andere gelegenheid stelt een andere vriend van Marcel, Saint-Loup, haar teleur. Die is namelijk een republikein, en dat voor een markies! Toch ziet ze dit euvel door de vingers want een markies kan toch geen echte republikein zijn!: il faisait seulement semblant, par intérêt, car avec le gouvernement qu’on avait, cela lui pouvait rapporter gros (779:27-29). Saint-Loup is echter meer dan een hypocriete opportunist: hij beschikt over een pureté morale die hem belet voldoening te putten uit een zo egoïstische aangelegenheid als de liefde. Anderzijds maakt die morele superioriteit het Saint-Loup ook niet onmogelijk, zoals het bij Marcel het geval is, de trouver sa nourriture spirituelle autre part qu’en soi-même (779:40-41). Daardoor is de markies, in tegenstelling tot Marcel, in staat tot vriendschap.

Saint-Loup spreekt op neerbuigend over zijn aristocratische klassegenoten. Door hen wordt hij dan ook verguisd als een ‘afvallige’, zeker ook omdat hij een verhouding heeft met een actrice. Hier neemt Marcel het op voor zijn vriend; hij schrikt er niet voor terug daartoe desnoods de sociale hiërarchie op zijn kop te zetten – wat hem tot de hilarische uitspraak noopt dat de elektriciens ‘vandaag de dag de ware Ridderschap’ vertegenwoordigen. Veel jonge aristocraten groeien in een beschermd milieu op. Daardoor missen zij de nodige levenswijsheid en gaan sans douceur et sans goût (780:43) door het leven. Wij moeten daarom hun maîtresses dankbaar zijn: zij vormen la seule école de morale où ils soient initiés à une culture supérieure, où ils apprennent le prix des connaissances désintéressées (781:2-4), zoals la pitié envers les animaux (781:36). Van hen leren wij ook de afkeer voor snobisme en oppervlakkigheid. In plaats van de relations mondaines (782:4) op een ijdele en brute manier te beleven, wijst de maîtresse op de mogelijkheid à y mettre de la noblesse et du raffinement (782:9). Of hoe de cocotte de edelman manieren leert!

De relatie tussen Saint-Loup en zijn maîtresse verloopt niet rimpelloos. (Marcel krijgt overigens niet te horen hoe zij heet, en hij krijgt ook geen beeltenis te zien: Saint-Loup vindt dat zij niet tot haar recht komt op foto’s. De instantanés die hij met zijn Kodak heeft gemaakt donneraient une fausse idée d’elle (783:22-24). Na de opmerking op bladzijde 764 (geen verloren tijd 90) is dit een nieuwe kritische opmerking over de eigenschappen van de nieuwe kunstvorm.) Vrienden maken Saint-Loups maîtresse wijs dat de markies niet deugt, et elle répétait à son tour ce qu’ils avaient dit, avec cette passion, cette absence de réserves qu’on montre chaque fois qu’on reçoit du dehors et qu’on adopte des opinions ou des usages qu’on ignorait entièrement (782:40-783:1). Maar de financiële voordelen die zij dankzij haar genereuze amant geniet, zijn van dien aard dat ze zich niet zomaar van hem kan losmaken.

Deze période dramatique de leur liaison (784:8) nam een aanvang toen Saint-Loup zijn vriendin had geïnviteerd om op een avondje bij zijn tante voor een assemblée d’hommes de cercle et de duchesses (784:22-23) fragmenten uit een symbolistisch drama voor te dragen. Het publiek had haar ernst helemaal miskend door in lachen uit te barsten – wat uiteraard helemaal niet de bedoeling was. Volgens de miskende actrice zelf hadden de aanwezige mannen wraak op haar genomen omdat zij niet was ingegaan op de voetjes die zij haar onder tafel hadden gegeven. Haar verwijten versterken nog Saint-Loups afkeer van zijn aristocratische vrienden. Maar wanneer hij, zoals nu, ver van haar is, vreest hij dat ze alsnog voor hun vleierijen zal bezwijken. Daarom probeert hij de banden met haar aan te halen door haar veel te schrijven. Zij antwoordt niet of zelden.

Vlak voor hij uit Balbec vertrekt, vraagt Saint-Loup aan Marcels oma of hij haar mag fotograferen. Oma trekt haar mooiste kleren aan. Marcel is teleurgesteld in haar omwille van deze koketterie. Françoise vindt dat Marcel zijn oma dat plezier moet gunnen. Maar Marcel laat toch zijn ongenoegen blijken. Dat komt hem duur te staan: oma ontzegt hem in die dagen ’s avonds laat de klopjes op de muur die het afgesproken signaal waren dat hij haar nog een keer een goede nacht mocht komen wensen: je restais encore, le coeur palpitant comme dans mon enfance, à écouter le mur qui restait muet, et je m’endormais dans les larmes (787:16-19). Dit is uiteraard een echo van de aanvangstaferelen van de Recherche waar Marcel het vertikt om te gaan slapen als zijn moeder niet eerst een nachtkus komt geven.

04 augustus 2015

geen verloren tijd (92)


I:774-778

Nissim probeert het gesprek een andere wending te geven door aan Saint-Loup te zeggen dat hij diens vader, de Marquis de Marsantes, goed gekend heeft. Maar hij wordt weggelachen want hij heeft zich wel vaker aan grootspraak bezondigd. Toch is de aandacht van Saint-Loup gewekt, niet omdat Nissim zijn vader zou hebben gekend, maar omdat hij très curieux de la psychologie des menteurs (775:22-23) is. Na de uitbrander van Bloch sr. hult Nissim zich de rest van de maaltijd in stilzwijgen. Bloch sr. krijgt op die manier vrije baan om de show te stelen en pakt uit met zijn reactionaire politieke voorkeuren, maar ook met zijn vrijgevigheid: hij trakteert zijn zoon en diens twee vrienden op een opéra comique-voorstelling in het casino diezelfde avond. Maar eerst laat hij nog champagne aanrukken. Beide gestes bieden de begunstigden gelegenheid te over om zijn (joodse) krenterigheid te hekelen: de beloofde stallesplaatsen blijken slechts parterres te zijn, en de zogenaamde champagne is in werkelijkheid un petit vin mousseux (776:29).

Het snobisme van Bloch sr. wordt al helemaal aan de kaak gesteld wanneer hij het gezelschap uitnodigt een schilderij te bekijken dat hij elke zomer naar Balbec laat verhuizen omdat hij het zo mooi vindt. Hij beweert dat het een Rubens is. Maar waar staat de signatuur?, vraagt Saint-Loup langs zijn neus weg. O, die heb ik er laten afsnijden omdat het doek anders niet in de lijst paste, antwoordt Bloch sr., en hij voegt eraan toe dat het geen belang heeft omdat hij toch niet van plan is het schilderij te verkopen!

Bloch jr., die de gewoonte heeft zich op het potsierlijke af in homerische frasen uit te drukken (hij heeft het bijvoorbeeld niet over het ochtendgloren maar over de premières lueurs d’Eôs aux doigts de pourpre (777:8-9)), peilt op de terugweg nogal onbeschaamd naar de kennissen van Saint-Loup en Marcel. Eerst vraagt hij aan Saint-Loup wie het heerschap was ‘met dat deftige domme bakkes’ (une impayable bobine de gaga de la plus haute lignée (777:18-19)) in wiens gezelschap hij Saint-Loup op het strand heeft gezien. Het gaat om Charlus en Saint-Loup is helemaal niet gediend van Blochs opmerkingen. En bij Marcel informeert Bloch wie dan toch cette belle personne was in wier gezelschap hij Marcel ooit heeft gespot. Het gaat om Mme Swann, van wie Marcel zich herinnert dat zij zich de naam Bloch niet meer herinnerde. Maar het verbaast hem natuurlijk dat Bloch, over wie Mme Swann had gezegd dat hij zich aan haar had laten voorstellen, nu blijkbaar háár naam ook niet meer kent. Te meer omdat hij nu vertelt dat hij haar enkele dagen voordat hij haar in aanwezigheid van Marcel had gezien, in de trein had ontmoet en daar de si bons moments (778:10) met haar had doorgebracht. En nu had hij gehoopt dat Marcel hem haar adres zou geven, zodat hij de geneugten waarop die prettige ogenblikken blijkbaar uitzicht hadden gegeven, effectief zou kunnen smaken.

geen verloren tijd


*