een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

02 oktober 2018

geen verloren tijd (126)


II:132-141

Le téléphone n’était pas encore à cette époque d’un usage aussi courant qu’aujourd’hui. (133:1-2) Het is voor Marcel dus een evenement wanneer hij aan het toestel wordt geroepen voor een oproep van zijn grootmoeder vanuit het verre Parijs. Het wonderlijke apparaat is inderdaad in staat om de niet geringe afstand te overbruggen zonder aan de tijd te raken – Proust laat de gelegenheid niet voorbijgaan om zich te verbazen: Présence réelle que cette voix si proche – dans la séparation effective! (134:13-15). Proust verbaast zich ironisch en gekscherend: hij zet een pleiade van mythische figuren die zich niet aan tijd en ruimte hoeven te stoten af tegen de aardse, kortaffe en niet altijd even vriendelijke servantes toujours irritées du Mystère, les ombrageuses [argwanende] prêtresses de l’Invisible, les Demoiselles du téléphone (133:40-42) die in die tijd nog in de centrale aan de knoppen zaten.

Doordat Marcel de stem van zijn grootmoeder hoort zonder er haar gezichtsuitdrukking bij te zien, is het alsof hij haar voor het eerst écht hoort: sa voix elle-même, je l’écoutais aujourd’hui pour la première fois (134:43-135:1). De stem klinkt veel zachter en milder dan anders: douce, triste, fragile (135). Doordat de spanningen van het nabij-zijn, de strengheid van de grootmoeder en de weerstand waarmee Marcel haar altijd heeft gehoorzaamd, er nu niet zijn, ligt de weg open voor een mutuelle tendresse (135:38). Zeker wanneer grootmoeder Marcel aanraadt in Doncières te blijven.

Marcel voorvoelt tijdens dit telefoon gesprek de treurnis van de definitieve afstand die er zal zijn wanneer zij dood zal zijn. Die ervaring wordt alleen maar versterkt wanneer de verbinding wordt afgebroken zonder dat de correspondenten op een goede manier afscheid van elkaar hebben kunnen nemen – en nog meer wanneer later op de dag een nieuwe oproep van een grootmoeder binnenkomt en het niet die van Marcel, die verkeerdelijk aan de telefoon wordt geroepen, blijkt te zijn. Dit misverstand is trouwens een echo van een verkeerd-verbonden-zijn dat aan het gesprek tussen Marcel en zijn grootmoeder was voorafgegaan. Het nieuwe communicatiemiddel heeft nog wat kinderziekten te doorlopen, blijkbaar.

Wat er ook van zij, de valse nabijheid van zijn grootmoeder doet Marcel besluiten om naar Parijs terug te keren. Het is tot hem doorgedrongen hoezeer zij zijn gezelschap moet missen, daar alleen op haar appartement.

Door een samenloop van omstandigheden krijgt Marcel ook niet meer de gelegenheid om fatsoenlijk afscheid te nemen van zijn vriend Saint-Loup. Nu ja, vriend? Te voet op weg naar de kazerne, waar het regiment zich moet klaarmaken om op excursie te vertrekken, rijdt Saint-Loup Marcel in zijn tillbury voorbij. Marcel hoopt dat Saint-Loup hem zal oppikken, niet dus. Saint-Loup is in het gezelschap van een andere militair en verwaardigt zich niet voor Marcel te stoppen. Marcel is nog toegeeflijk en sluit niet uit dat zijn bijziende vriend hem niet heeft herkend.

Vanuit de kazerne bekijkt Marcel nog hoe het regiment zich opstelt. Hij ziet hoe kapitein de Borodino met napoleontische allure langsrijdt semblant avoir l’illusion qu’il se trouvait à la bataille d’Austerlitz (139:35-36). Marcel is in het gezelschap van een student en een beroepsmilitair. Die laatste is een Breton, wat ons een vluchtige inkijk verschaft in hoe groot en divers Frankrijk toen nog was: né dans un village qui s’appelle Penguern-Stereden, ayant appris le français aussi difficilement que s’il eût été anglais ou allemand (139:8-11). (De website Le fou de Proust leert me dat Proust het toponiem heeft uitgevonden om wat bretoensigheid aan zijn relaas toe te voegen.)

Marcel vertrekt naar Parijs, waar hij, onaangekondigd, zijn grootmoeder in haar appartement verrast. Hij ziet haar met een meedogenloze, ontluisterend-fotografische blik, die niet voortdurend wordt gecorrigeerd (vervormd) door de herinneringen en verwachtingen die een levende relatie begeleiden; hij ziet haar zoals ze is in zijn afwezigheid: rouge, lourde et vulgaire, malade, rêvassant [suffend], promenant au-dessus d’un livre des yeux un peu fous, une vieille femme accablée [uitgeleefd] que je ne connaissais pas (141:36-38).

30 september 2018

geen verloren tijd (125)


II:125-132

Marcel probeert via Saint-Loup een bezoek aan Mme de Guermantes te scoren. Hij herinnert zich nog zeer goed zijn bezoek aan Elstirs atelier in Balbec, en zou wat graag de schilderijen zien die Mme de Guermantes van hem bezit. Dat zal dan zonder Saint-Loup moeten gebeuren, want die heeft – door tussenkomst van zijn kapper, autrefois le garçon de l’ancien coiffeur de Napoléon III (127:15-16) – van zijn overste, le capitaine de Borodino (127:11), de toestemming gekregen om er een paar dagen op uit te trekken, een gunst waarvan hij gebruik wil maken om zijn maîtresse te vergezellen op haar jaarlijkse uitstap naar Brugge.

Kampcommandant M. de Borodino is bij zijn ondergeschikte opper- en onderofficieren van de kazerne van Doncières niet bijzonder geliefd. Hij is, via huwelijken, gelieerd aan de Napoleons I en III, waardoor hij als lid van de oude adel kan worden bestempeld. Saint-Loup, samen met de kliek rond Guermantes een lid van de Empire-adel, is in zijn professionele relatie met de kapitein een ondergeschikte militair, maar lijkt in hem, Borodino, non pas un vrai noble mais le petit-fils d’un fermier (129:17-18) te zien. Saint-Loup cultiveert zijn aristocratische status met holle vormelijkheden. Borodino daarentegen is werkelijk nog gehecht aan une noblesse dont les titres gardaient encore leur signification (130:37-38). Hij treedt op met waardigheid en spreekt sur un ton empreint à la fois d’une bienveillance sincère et une hauteur voulue (131:6-8) – nu behoorlijk anachronistische relicten van zijn voorvaderlijke keizerlijke connecties. Hij wandelt statig door de straten van de garnizoensstad, onderhoudt voortreffelijke connecties met vooraanstaande leden van de plaatselijke burgerij, maar vergeet prompt dat ze bestaan wanneer hij, in zijn streven om dichter bij de hoofdstad gekazerneerd te zijn – en bij de daar evoluerende hogere kringen waartegen hij zich maar al te graag zou aanschurken – naar Beauvais wordt overgeplaatst.

04 mei 2018

geen verloren tijd (124)


II:119-125
 
Marcel slaagt er niet elke avond in om in het restaurant samen met Saint-Loup en diens vrienden in bespiegelingen over de krijgskunst zijn heimwee naar Mme de Guermantes te vergeten. Anderzijds kent dat zwelgen in verdriet ook wel een genotvolle kant: il semble qu’on vaille d’avantage (119:40-41), het lijkt wel of je méér waard bent als je zo’n verdriet torst. Proust staat nu even stil bij de aard van een dergelijk waardevol verdriet. Marcel ontwaart in de sterren of in de wind geheime boodschappen van Mme de Guermantes. Er lijkt dus een band met haar te bestaan, via het universum. Het genot dat met het verdriet gepaard gaat, lijkt met dat bredere verband iets te maken te hebben: ce qui mêlait quelque plaisir à ma peine, c’est que je la savais une petite partie de l’universel amour (120:16-18). Dat verband is niet oorzakelijk. Het is als met dat soort diffuse, onbestemde (fantoom)pijn waar geen arts de vinger op weet te leggen. Overigens is er niet alleen een verband met de natuurelementen, met het universum (de ruimte), maar ook met vroegere ervaringen (de tijd): in het genotvolle verdriet om Mme de Guermantes herbeleeft Marcel zijn zoetzure ervaringen met Gilberte, met zijn lectuur van enkele bladzijden Bergotte, maar ook met die keren toen à Combray, maman ne restait pas dans ma chambre (120:20-21).

Na dertien dagen zonder nieuws kan Marcel het niet meer laten om aan Robert te vragen of er nog altijd geen nouvelles de Paris (121:7) zijn. Robert antwoordt dat er slecht nieuws is – en het lucht Marcel op dat het maar een brouille (121:25) betreft tussen zijn vriend en diens maîtresse. Marcel stelt vast dat ook Robert lijdt onder het gebrek aan nieuws. Wat hem doet besluiten dat de stilte bewaren en de wachtende in het ongewisse laten een machtig wapen is. Rien n’invite tant à s’approcher d’un être que ce qui en sépare, et quelle plus infranchissable barrière que le silence? (122:9-11)

Saint-Loups grootste vrees is natuurlijk dat zijn vriendin hem niet alleen de bons heeft gegeven, maar vooral dat zij hem zou hebben ingeruild voor een ander; hij droomt zelfs dat een kennis van de opperwachtmeester, un lieutenant très riche et très vicieux (123:36-37), haar les cris intermittents et réguliers weet te ontlokken qu’avait l’habitude de pousser sa maîtresse aux instants de volupté (123:38-41). In zijn relazen aan Marcel hemelt Saint-Loup zijn maîtresse danig op, waarbij hij wellicht wordt geholpen door het gemis, dat haar kwaliteiten groter doet lijken. Hij noemt haar un être sublime (125:4). Tu ne peux pas t’imaginer les délicatesses de poésie qu’il y a chez elle (125:4-6). Ze gaat zelfs elk jaar de eerste dagen van november in Brugge doorbrengen!

Geen wonder dat het Saint-Loup de grootste moeite kost om haar niet op te bellen.

Telefoneren? Jawel! Deze technische vinding en de filosofische gedachten die eraan verbonden zijn, vinden hun weg naar de Recherche – we zullen er in een volgende aflevering op terugkomen. Het is in elk geval geen evidente onderneming want madame woont niet meer in Parijs maar in de buurt van Versailles, waar de telefonie nog niet helemaal is doorgedrongen, aangezien ze het aan de stok heeft gekregen met haar huisbaas, die de kreten de ses chiens, de son singe, de ses serins (kanaries) et de son perroquet (123:24-25) niet langer kon verdragen.

Uiteindelijk krijgt Saint-Loup dan toch het verlossende nieuws: ze zal hem niet verlaten. Van de weeromstuit lijkt Marcels vriend niet zo blij met de verzoening. Hij had zich al enigszins in het verlies geschikt en vreest de nadelen van de verzoening – een ervan is dat de situatie zich misschien alweer binnen een paar maanden zou herhalen.

geen verloren tijd


*