een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

15 juli 2014

geen verloren tijd (75)



I:651-658

Marcel mag, op doktersadvies, een slok alcohol (un peu trop de bière ou de cognac (651:5)) tot zich nemen om de reis in alle kalmte te kunnen doorstaan. Hij neemt braaf plaats tegenover zijn grootmoeder. Hij verwondert zich over de intens blauwe kleur van het coupéraamgordijn, en al evenzeer over de blinkende knopen van de conducteur. En dan, uiteindelijk, verdiept hij zich in het boek van Mme de Sévigné, dat zijn grootmoeder hem ter lezing heeft aangeboden. Hij ontwaart in de brieven van de edele brievenschrijfster kwaliteiten die hij straks in Balbec ook bij de schilder Elstir zal aantreffen. Maar dat kan Marcel natuurlijk op dat moment in de trein nog niet weten – de Verteller doorbreekt hier de chronologie en loopt in zekere zin op de feiten vooruit. De brieven van Sévigné vertonen, aldus Proust/Marcel/de Verteller (de instantie is onduidelijk, alsook het tijdstip waarop de opmerking wordt gemaakt, in elk geval un peu plus tard (654:4)), een côté Dostoïevski (654:6). Hoe dan ook, het is een belangrijke kwaliteit die Mme de Sévigné en Elstir gemeen hebben want Proust gewaagt, met betrekking tot de invloed die hij van Elstir zou ondergaan, van une influence (…) profonde sur ma vision des choses (653:34-35).

Grootmoeder stapt ergens halverwege uit omdat zij aan een vriendin een bezoek wil brengen, Marcel reist alleen verder. (Van Françoise is even geen sprake.) Marcel vindt het niet erg alleen te moeten reizen want er is voldoende om zich mee bezig te houden: de indrukken van de reis zijn overweldigend.

De nacht valt en Marcel weet niet of hij, wanneer hij een moment van waken beleeft, heeft geslapen of niet. Droom en werkelijkheid lopen opnieuw in elkaar over: een vertrouwd proustiaans manoeuvre. Marcel ziet door het raam hoe een roze einder de zonsopgang aankondigt. In een klein stationnetje, waar de trein kort stopt, komt een meisje de reizigers koffie met melk aanbieden. Haar aanblik beroert Marcel hevig: Je ressentis devant elle ce désir de vivre qui renaît en nous chaque fois que nous prenons de nouveau conscience de la beauté et du bonheur. (655:35-37) Waarna hij zijn ervaring – hij kan het niet laten – meteen weer wég analyseert. (Proust omschrijft deze geestelijke arbeid, hoe kan het ook anders, in positievere termen; hij heeft het over l’effort qu’il faut pour approfondir en soi-même, d’une façon générale et désinteressée, une impression agréable (658:7-9).)

De bespiegeling waartoe de aanblik van het meisje aanleiding geeft, is deze: wij verzuimen om in een bevallig persoon een individuele instantiatie van de schoonheid te herkennen, gewoon als wij zijn om die individuele instantiaties te bundelen in een abstractie, in een idee van schoonheid. Terwijl nu net de essentie van de ervaring van schoonheid in dat individuele, en dus tijdelijke en efemere, gelegen is. En dat individuele is altijd, omdat het individueel is, iets nieuws, iets wat per definitie aan die abstracties ontsnapt. De ervaring van schoonheid zou je, met andere woorden, kunnen omschrijven als de frictie die ontstaat wanneer de abstractie (de idee) en de concrete instantiatie van de idee tegen elkaar aanbotsen. De waarnemer heeft altijd wat tijd nodig om zijn fout (te zeer hechten aan het abstracte) in te zien, en dan is het alweer te laat, waardoor hij altijd niet alleen vergenoegd (omwille van de ervaren schoonheid) maar ook gefrustreerd achterblijft. Wat wel overblijft, is le désir moral de ne pas laisser cet état d’excitation périr entièrement (657:24-25). Marcel geniet in die zin van het onrealiseerbare verlangen om altijd bij het koffie-met-melkmeisje te blijven. Hij geniet van het feit dat haar aanblik zich met alle andere ervaringen vermengt: de wereld ziet er voortaan ánders uit. De intense ervaring die gepaard gaat met de aanblik van het meisje in de ochtendzon donnait une autre tonalité à ce que je voyais, il m’introduisait comme acteur dans un univers inconnu et infiniment plus intéressant (657:30-32). Ook hier is, net als bij Mme de Sévigné en Elstir, sprake van une influence (…) profonde sur ma vision des choses (653:34-35).

Hier speelt ten andere ook het wegvallen van de gewoonte een belangrijke rol: dat wegvallen vergroot de vatbaarheid voor dergelijke onverwachte schoonheidservaringen.

13 juli 2014

geen verloren tijd (74)



I:643-652

Al meteen in de eerste zin van het tweede deel van Á l’ombre des jeunes filles en fleur, het tweede boek van de romancyclus A la Recherche du temps perdu, maakt Proust duidelijk waar we aan toe zijn: J’étais arrivé à une presque complète indifférence à l’égard de Gilberte, quand deux ans plus tard je partis avec ma grand’mère pour Balbec. (642:18-20) Maar de Verteller neemt meteen wat gas terug want, zegt hij, ten tijde van Marcels vertrek naar Balbec en de aanvang van zijn verblijf aldaar was zijn onverschilligheid nog niet definitief: mon indifférence n’était encore qu’intermittente (642:35-36). Er zijn nog onderbrekingen in de onverschilligheid of, positief gezegd, de liefde voor Gilberte flakkert al wel eens terug op, en dat doet ze vaker par une chose futile que par une chose importante (642:43-643:1) – het zou ons, als Proust-liefhebbers, verbazen indien het omgekeerde het geval zou zijn. Het zijn vooral de dingen waarvan wij (achteraf) dachten dat wij ze al vergeten waren die het meest in staat blijken om de herinnering aan de geliefde, samen met de gevoelens die wij voor haar koesterden, terug tot leven te brengen. Proust besluit dan ook: C’est grâce à cet oubli seul que nous pouvons de temps à autre retrouver l’être que nous fûmes (643:27-29). De vergetelheid is, met andere woorden, paradoxaal genoeg een essentiële voorwaarde voor het behoud van identiteit door de tijd heen.

Het tenietdoen van de onverschilligheid door het opduiken van futiele, vergeten gewaande herinneringen uit het verleden, wordt in de hand gewerkt door de verandering van omgeving: de reis naar Balbec gaat sclerosering van de gevoelens tegen; la sédentarité immobilisant les jours, le meilleur moyen de gagner du temps, c’est de changer de place (644:15-17). Dat is een vooruitstrevende gedachte in een tijd dat toeristische mobiliteit nog absoluut geen gemeengoed was, en het is bovendien een eigenaardig dictum voor iemand die vele jaren van zijn leven in totale immobiliteit in bed doorbracht om een omslachtig boek te schrijven over verloren tijd.

Twee gedachten nog, die in de eerste drie bladzijden van dit nieuwe deel een beetje tussen de plooien vallen (de plooien van de lakens van Prousts bed, de plooien van zijn schriftuur). Ten eerste de idee van asynchroniciteit: het leven verloopt niet in een rechte lijn van geboorte naar dood; neen, door de talrijke onwillekeurige herinneringen zijn er verschuivingen en kunnen er, met onverwachte intensiteit, soms verloren gewaande zaken uit het verleden terug opduiken en in het heden het synchrone verloop verstoren. Ja zelfs het omgekeerde lijkt mogelijk, al wordt dit veel minder geëxpliciteerd: in bepaalde – futiele – gebeurtenissen worden toekomstige – veel belangrijkere – ontwikkelingen al aangekondigd. Het is de taak van de romancier om deze verknopingen aan het licht te brengen – en dat kan hij natuurlijk omdat hij een alwetend standpunt inneemt, als het ware boven het tijdsverloop zweeft. Ten tweede – en die gedachte staat in een parenthese meteen na de eerste zin over de bijna volledige onverschilligheid ten aanzien van Gilberte – is er de idee dat een gevoel als liefde een onafhankelijke grootheid is die zich aan wisselende objecten kan hechten: het subjectieve gevoel primeert op de objectieve veroorzakers van dat gevoel; liefde die denkt dat zij exclusief hoort te zijn, is niet reëel. Dat inzicht stemt droef, wellicht omdat het in een traditioneel-romantisch moreel opzicht als weinig hoogstaand wordt ervaren: je me disais tristement que notre amour, en tant qu’il est l’amour d’une certaine créature, n’est peut-être pas quelque chose de bien réel (642:23-26; eigen cursivering).

Marcel maakt de reis naar Balbec per trein. En dat is maar goed ook, stelt Proust, want op die manier kan hij ten volle ervaren waarvoor men eigenlijk op reis gaat: het komt er voor de reiziger op aan het verschil tussen startplaats en bestemming ten volle te ervaren. Bij een reis met de auto gaat dat verschil op in de geleidelijke overgang van de karakteristieken van de vertrekplaats naar de karakteristieken van de aankomstplaats. Net zo kun je beter naar een schilderij kijken in een neutrale ruimte, bijvoorbeeld die van het museum of van het atelier van de schilder, dan in een salon waarbij  la maîtresse de maison (645:6) al het mogelijke heeft gedaan om het schilderij te doen opgaan au milieu de meubles, de bibelots, de tentures de la même époque (645:3-4), waardoor het verschil, dat de karakteristieken van het schilderij nu net goed had kunnen doen uitkomen, wordt tenietgedaan en de ‘vrouw des huizes’ in al haar ijver precies het omgekeerde effect sorteert dan wat zij beoogde.

Aanvankelijk ziet Marcel de reis naar Balbec niet zitten. Dromen over de bestemming, daar heeft hij zich altijd graag in vermeid, maar het vooruitzicht om werkelijk en zeer fysiek de verplaatsing te moeten maken naar een vreemde omgeving, staat hem ten zeerste tegen. Toch is zijn verlangen om Balbec in werkelijkheid te zien groot: hij beseft dat daar geen enkele afbeelding, aucun spectacle prétendu équivalent, aucun ‘panorama’ que j’eusse pu aller voir sans être empêché par cela même de rentrer dormir dans mon lit (646:6-8) tegen op kan. Het genoegen van de werkelijke sensatie zal moeten afgekocht worden met het opgeven van de verknochtheid aan de immobiliteit en de genoegens van het slapen in het eigen bed – uiteraard na de nachtzoen van de moeder te hebben ontvangen!

Zeker wanneer hij verneemt dat zijn moeder niet zal meegaan, wordt Marcels verzet tegen de reis heftig. We kunnen ons zo het lastig, jengelend kind dat hij moet zijn geweest voorstellen! Zijn moeder treft nochtans allerlei schikkingen om de scheiding zo zacht mogelijk te laten verlopen, maar zij kan niet verhinderen dat Marcel tot een ingrijpend besef komt: Pour la première fois je sentais qu’il était possible que ma mère vécût sans moi, autrement que pour moi, d’une autre vie (648:20-22). Mama probeert haar Marcel te troosten met een verwijzing naar wat een grote Engelse kunstfilosoof over het reizen schreef: Est-ce cela, le voyageur ravi dont parle Ruskin? (649:2-3). Marcel verschijnt alvast in intellectueel opzicht duidelijk niet onvoorbereid aan de start van zijn grote reis! En ze probeert het gesprek weg te leiden van het verdriet van haar kleine jongen door de dienstmeid Françoise te complimenteren met de manier waarop zij de afgedragen kleren van Marcels oudtante een nieuw elan heeft gegeven, en wel door de toevoeging van een frivole strik en door de stof binnenstebuiten te keren.

Over Françoise spreekt Marcel met milde liefde en waardering. Zij beheerst de kunst terughoudend te zijn zonder daarom in onderdanigheid te vervallen: réservée mais sans bassesse (649:32); zij wist hoe zij moest digne d’être vue avec nous zijn sans avoir l’air de chercher à se faire voir (649:34-35). Zij heeft geen toegang tot le monde immense des idées (650:4-5) en behoort in die zin niet tot de natures d’élite (650:18-19); zij moet het stellen met les rares vérités que le coeur est capable d’atteindre directement (650:3-4). Haar nobele gelaatstrekken bewijzen evenwel dat zij wel tot die intellectuele elite had kúnnen behoren, als zij maar haar talent had kunnen ontwikkelen door in een betere omgeving, lees stand, te zijn geboren. Dat is een onrechtvaardige aangelegenheid, beseft zelfs Proust, en hij spreekt van een injuste destinée à vivre parmi les simples d’esprit (650:16-17).

08 juni 2013

Rondom Mme Swann


De in de Pléiade-editie slechts 44 bladzijden tellende tekst Noms de pays: le nom is eigenlijk meer een prelude op Autour de Mme Swann, het eerste deel van À l’Ombre des jeunes filles en fleurs, dan een epiloog van het eerste grote deel, Du Côté de chez Swann – zoals het, na Combray en Un amour de Swann, wordt gepresenteerd. Dat zal wel iets te maken hebben met de ingewikkelde totstandkomingsgeschiedenis van de Recherche (die ik graag overlaat aan de proustologen). Hoe dan ook, het is opvallend hoe in die korte epiloog als in een notendop enkele belangrijke thema’s van het vervolg worden aangekondigd, veeleer dan dat er wordt gereflecteerd op het voorafgaande. De gebeurtenissen waarin Gilberte, Bergotte en Mme Swann een hoofdrol spelen, komen hier allemaal al ter sprake. Ook de ideeën die in Autour de Mme Swann omstandiger zullen worden uitgelegd, worden al een eerste keer aangeraakt: hoe verwachtingen altijd te hooggespannen zijn; hoe de dingen en personen altijd met emoties, vaak erotisch gekleurde emoties, worden bezet (bezield of geanimeerd); hoe de herinnering uiteindelijk altijd échter blijkt, en in elk geval duurzamer, dan de werkelijkheid ooit is geweest.

Hoe verder ik in de Recherche vorder – het is bijna ontstellend, en tegelijk ook geruststellend, te moeten vaststellen dat ik, nu ik Autour de Mme Swann heb gelezen, plusminus een vijfde achter de kiezen heb – hoe meer ik ervan overtuigd ben dat Proust zich van stiel vergist heeft. Ik weet dat dit een beetje provocatief klinkt maar ik bedoel het niet oneerbiedig want ik ben uiteraard vol bewondering voor Prousts weergaloze taal en stijl en ambitie. Maar Proust lijkt mij in de eerste plaats een filosoof, een schrijver van filosofische bellettrie. Proust had eigenlijk een uitgewerkte kunstfilosofie moeten schrijven. Hij schreef de Recherche – ook niet mis en als hij dat waanzinnige project werkelijk helemaal tot het eind had kunnen voeren (en daarbij het overzicht had kunnen bewaren), zou het pas echt een bovenmenselijke prestatie geworden zijn – maar hij had wellicht beter een esthetica geschreven, een kunstfilosofie: om daarin uit te leggen hoe de moderne mens zijn leven vanuit het persoonlijke gevoel en de (herinnering aan) doorleefde ervaringen met betekenissen aankleedt en zin probeert te geven. Zoiets.

Autour de Mme Swann kun je, zoals de andere boeken van de Recherche en zoals alle goede boeken, op verschillende manieren lezen. ‘Voor het verhaal’ is veruit de minst interessante manier. Want, ochgot, wat gebeurt er eigenlijk in die 230 bladzijden? Marcel – zoals ik gemakshalve de verteller noem – ontloopt, door voor het schrijverschap te kiezen, de diplomatieke carrière waartoe zijn vader hem had voorbestemd. Marcel gaat naar het toneel en Marcel wordt ziek. Marcel forceert zich een toegang tot het huis van Mme Swann en gaat daar vaak op bezoek. Marcel heeft een tijdje een – licht erotisch geladen – vriendschap met Mme Swanns dochter Gilberte en geraakt daar maar zeer moeizaam van los. Marcel gaat naar de hoeren. Marcel leert dat herinneringen aan poëtische momenten duurzamer zijn dan herinneringen aan momenten waarop het hart bloedt. Op die troostrijke gedachte overigens is het Autour de Mme Swann eindigt.

Maar er is veel meer dan alleen maar het verhaal. Nu ja, het is niet eens een verhaal; het is een aaneenschakeling van een paar weinig spectaculaire handelingen.

In Autour de Mme Swann presenteert Proust een sociologie van een nog gedifferentieerde klassenmaatschappij en een inventaris van de door hypocrisie, pluimstrijkerij en opportunisme gedomineerde omgangsvormen daarin. (Die klassemaatschappij beleeft haar nadagen, zo blijkt uit de slotparagraaf waarin Proust vanuit een niet nader omschreven – wellicht naoorlogse – toekomst terugblikt.) In Autour de Mme Swann kaart Proust met wellustige ironie en bij momenten zeer humoristisch het gemak aan waarmee de waarheid wordt geslachtofferd op het altaar van sociale status en prestige. In huize Swann treft Proust – via zijn ‘held’ Marcel – hiervoor een ideaal laboratorium want door zijn huwelijk met de cocotte Odette heeft Charles Swann, verblind door de liefde, aan status ingeleverd. Het spreekt voor zich dat zijn transgressie van de sociale scheidslijn tussen – in dit geval – de bloedadel en de bourgeoisie behoorlijk wat onrust veroorzaakt in de omgeving. Karaktereigenschappen en omgangsvormen die in de ene sociale laag deugdelijk zijn, zijn het in de andere niet – bij promotie of degradatie kun je daar maar beter rekening mee houden. Hoe dan ook is, in alle lagen, de leugenachtigheid die alle boodschappen doordrenkt constant: er is altijd een onderscheid tussen de inhoudelijke, eventueel verifieerbare boodschap en de intentie, de bedoeling. Ook de handelingen zijn niet gespeend van hypocrisie. Zo worden bijvoorbeeld de salons gefrequenteerd allerminst omdat daar interessante gesprekken worden gevoerd – Proust is een meester in het evoceren van onbenullige gesprekken – maar omdat het belangrijk kan zijn om toegelaten te worden tot een hoger gekwoteerd salon. Op die manier ontstaat een soort van economie van de status, waarbij een (frequentie van) aanwezigheid of een verontschuldiging voor een of andere salonbijeenkomst als pasmunt fungeert in de meedogenloze en zeer concurrentiegevoelige rush naar hoger aanzien.

Uiteraard spelen mode en smaak in dit sociale spel een belangrijke rol. Je kunt maar beter niet goed vinden wat iemand die op de sociale ladder een lagere sport inneemt wel goed vindt – en vice versa. Interieurs, kleding, omgangsvormen op de promenades in het Bois de Boulogne (waar het zien en gezien worden uiteraard veel belangrijker zijn dat de lichaamsbeweging of de frisse lucht): al die materiële zaken vormen samen een ingewikkelde semantiek van prestige en aanzien. Proust analyseert het allemaal genadeloos en met een grote kennis van zaken.

Bovenal biedt Autour de Mme Swann een dissectie van de liefde – en zoals dat met dissecties gaat: van het studieobject blijft weinig heel.

Liefde, en zeker verliefdheid, is een ziekte waarvan je moet genezen. Of toch minstens moet proberen tijdelijk te genezen want liefde is een steeds terugkerende kwaal. Dat is zowat de grondtoon – geen wonder dat Proust herhaaldelijk metaforen betrekt uit de medische wetenschap en de farmaceutiek. De verliefde fokt zichzelf zodanig op met geïdealiseerde voorstellingen van het geliefde ‘object’ dat het wel niet anders kan dan op een teleurstelling uitlopen. Liefde is een puur subjectieve aangelegenheid: de verliefde creëert een fictief personage dat louter en alleen in de naam dezelfde is als het geliefde ‘object’. Let wel, het gaat niet in de eerste plaats, laat staan uitsluitend, om een seksueel verlangen: seks lijkt bij Proust niet veel meer dan een bewustzijnsvernauwende fysiologische kramp, een spanning die in de ontlading de noodzakelijke voorwaarde vindt op opnieuw met ruimere blik de werkelijkheid tegemoet te treden. Het stelt allemaal niet veel voor, de partners bij wie deze ont-spanning kan worden verkregen zijn verwisselbaar. De schier achteloze passages die Proust aan prostitutie wijdt, maken dit overduidelijk.

Neen, het gaat over liefde. Amour. Daar ging het al over in Un Amour de Swann, waar de liefde vooral door jaloezie leek te worden aangedreven. (Nu zien we dat Charles Swann, getrouwd en wel met de Odette die zijn hart zo op hol deed slaan, over de seksuele verblinding (volupté) heen is, er een maîtresse op na houdt, en zelfs helemaal niet meer geïnteresseerd is in wat Odette daarvan denkt. En hij ziet ook niet bepaald nauwlettend toe op de manier waarop zij de mannen rond haar vinger draait.) In Autour de Mme Swann gaat het niet om jaloezie, neen, hier wordt de liefde veeleer in haar tragische aspect belicht. De verliefde zoekt in zijn ‘object’ altijd méér dan wat zich aandient – en hij verlangt meteen naar dit méér. Daardoor wordt zijn verliefdheid vertroebeld. Liefde is nooit zuiver. De vervulling is hoe dan ook altijd precair. Het genot kan tijdelijk het lijden om die precariteit compenseren – maar het genot is per definitie tijdelijk. Wanneer het genot, lees de seksuele vervulling, is uitgewerkt, wordt de liefde een wrede aangelegenheid (atroce).

Autour de Mme Swann is, ver voorbij het verhaal, de sociografie en de kijk op het mechaniek van de liefde, vooral een raamwerk waarin Proust een wereldvisie, een visie verraadt op het leven, waarvan alle facetten en elementen op een duizelingwekkende manier aan het schuiven gaan, waarin niets nog vastligt, waarin de mens, als pover en – inderdaad – ziek individu, eenzaam en hulpbehoevend en hunkerend naar een moederlijke avondkus, overgeleverd is aan de immense taak om zin te vinden en de dood te aanvaarden. Niet de feitelijke dood, in de zin van het levenseinde, maar de dood die binnensluipt in ons dagelijkse streven, in alles wat we een belang toedichten omdat dat belang altijd tijdelijk blijkt: de intensiteit waarmee we onze doelen aanvankelijk bezetten, wordt ondermijnd door verzadiging, gewoonte, sleur, walg, het vergeten.

Hoe kan het individu zich nu bevrijden uit deze helse rondgang van verlangen naar vervulling en teleurstelling? Proust is hierover duidelijk: door onverschillig te worden. Of: te kiezen voor berusting­ (résignation). Beter dan zich in die cirkel van onvervulbaarheid en zich steeds herhalende tijdelijkheid te begeven, kan men zich overgeven aan de herinneringen aan een nog niet bezoedelde, paradijselijke liefde.

Op deze manier krijgen wij, vanuit het werk zelf, een inzicht in wat Proust, schrijvende aan de Recherche, eigenlijk doet: hij heeft het uitzichtloze rondrennen in het rad van de opeenvolgende verliefdheden achter zich gelaten, is geresigneerd, en laaft zich aan de met behulp van de verbeelding aangedikte en op smaak gebrachte herinneringen aan een paradijselijk verleden, un merveilleux âge d’or. Uiteraard dienen we hierbij te bedenken dat Proust een homoseksueel was, en dat hij daardoor in zijn tijd bijna per definitie met onvervulbaarheid af te rekenen kreeg. Met onuitspreekbaarheid ook; de liefdes van ‘Marcel’ zijn heteroseksueel – al is er hier en daar wel een problematisering van het gender, bijvoorbeeld wanneer Marcel droomt van een jongen, die dan Gilberte blijkt te zijn.

De Recherche in het algemeen, en Autour de Mme Swann in het bijzonder, brengt een demasqué van ongeveer alles wat in het ‘gewone leven’, vóór de resignatie, belangrijk werd geacht. Het sociale leven wordt gekenmerkt door leugenachtigheid en opportunisme. Esthetische voorkeuren zijn sociaal bepaald. En liefdes blijven nooit duren. Op een dag is de fascinatie weg. Dan rest enkel de herinnering, niet deze die kan worden opgeroepen op commando van één-twee-drie, maar de herinnering die je ongevraagd en onwillekeurig overvalt, la mémoire involontaire die,omdat ze zo onverhoeds is, zo krachtig is dat ze je meesleurt naar een vorige levensfase waarin het geluk nog onbezoedeld en onverwelkt was. In Autour de Mme Swann komt dit proustiaanse madeleinemechaniek ook voor, en wel in de vorm van de weeë geur die Marcel opsnuift in een openbaar toilet op de Champs-Elysées en waardoor hij wordt meegevoerd naar het Combray van zijn kindertijd, waar diezelfde muffe geur van schimmel in het huis van oom Adolphe die hele, verloren gewaande, wereld van zorgeloosheid, zomerse wandelingen en ontluikende erotiek representeerde. Aan die herinnering is een gevoel van groot en evident geluk verbonden.

Dit soort ervaringen, dat is waar het in het leven écht om draait. Zelfs een muffe geur in een beschimmelde wc kan tot hogere toppen leiden dan de meest verheven gedachtegang. Maar je moet bereid zijn dit te ondergaan want dergelijke ervaringen kun je niet afdwingen. Je moet, om de werkelijkheid verdraaglijk te houden, bereid zijn je uit te leveren aan een soort van genade, ook al gaat het tegen elke logica in: Nous sommes tous obligés, pour rendre la réalité supportable, d’entretenir en nous quelques petites folies (591:37-39).


Is dit een minimalistisch programma? Zeker en vast. Maar het kan genoeg zijn: seks, schilderkunst, muziek, kunst en kunstreizen, er zijn genoeg bronnen van genot en zingeving om een leven te vullen, hoe gedesillusioneerd men ook moge zijn. Want inderdaad: het geluk is een onmogelijk te bereiken doel. Na de vervulling wacht een nieuw verlangen. Het geluk om de vervulling is altijd tijdelijk, ja, geluk is een impossibilité psychologique (625:5). Je kunt daar om treuren, maar weet dan dat ook die pijn tijdelijk zal zijn: la permanence et la durée ne sont promises à rien, pas même à la douleur (631:1-3). En het goede nieuws is dat de goede herinneringen, de herinneringen aan poëtische ervaringen, duurzamer zijn dan die aan pijn.

07 juni 2013

geen verloren tijd (73)

I:632-641

Er komt nog een reden bij om niet langer bij Mme Swann op visite te gaan: de poging Gilberte sneller te vergeten. De bezoeken zijn voor Marcel immers altijd verweven gebleven met zijn herinnering aan Gilberte. Hij moet ervoor zorgen dat nieuwe indrukken – des pensées, des intérêts, des passions (632:14-15) – waar Gilberte niets mee te maken heeft, zijn ziel kunnen vullen en zo zijn liefde voor Gilberte kunnen verdringen. Want op de gewone manier zal het niet lukken: door zijn dubbele, geveinsde, voorgewende gevoelens en de verwrongen uiting die hij daaraan heeft gegeven, kan hij noch voor- noch achteruit. Alles is nu ongeloofwaardig geworden. De ingebeelde verandering in hun relatie wordt, door erover te schrijven en – van haar kant – erover te zwijgen, werkelijkheid. De ingebeelde afstandname wordt – selffullfilling prophecy-gewijs – een reële afstand.

Het niet-meer-zien van Gilberte doet Marcel steeds minder pijn. Soms is er nog wel eens een sentimentele traan wanneer een flard uit het verleden tot in het heden doordringt, maar hij begint toch steeds meer spijt te hebben dat hij de lokroep van de liefde – voor een meisje dat hij nu aan het vergeten is – heeft laten prevaleren op de lokroep van Venetië en Firenze. Nuja, niet dat hij daar ooit zou geraakt zijn, gezien zijn zwakke gezondheid. Balbec vinden Marcels ouders voor hem een betere, een gezondere bestemming.
Marcel blijft nog wel even Mme Swann frequenteren. Ondanks de koude van een verlate winter heeft zij haar salon aangekleed met witte bloemen waarvan de geuren Marcel aan Combray doen denken – met als gevolg dat hij vaststelt dat deze geur risquait d’entretenir le peu qui subsistait de mon amour pour Gilberte (635:23-24). Daarom probeert hij hoe langer hoe meer weg te blijven bij Mme Swann. Toch probeert hij haar wel nog te ontmoeten op haar wandelingen op zondagvoormiddag in de buurt van de Arc de Triomphe. Zie, daar komt zij aangewandeld in een wolk van mauve, omlijst door een selecte hofhouding van stijve heren: zij is een wandelende, of beter: kuierende, ode aan de nieuwe lente. Marcel heeft een grote bewondering voor de frutseltjes en frulletjes van haar uitermate gesofistikeerde outfit. Geen golfsweaters, inderdaad, maar wel een zeer uitgekiend conglomeraat van stoffen en stiksels, een klaterende waterval van lintjes en knoopjes en minutieus geborduurde details – waarvan er een aantal zelfs aan het oog onttrokken blijven, comme ces sculptures gothiques d’une cathédrale dissimulées au revers d’une balustrade à quatre-vingt pieds de hauteur (638:15-17), waarmee we, via deze beschrijving van de kledij van Mme Swann, nog eens mee de toren inklimmen om, op het eind van dit deel van de Recherche, nog eens het hele landschap te kunnen overschouwen.

De manier waarop Mme Swann zich over straat beweegt – dat schrijdend kuieren, dat schijnbaar nonchalant maar in werkelijkheid zeer doordacht wandelen –, is natuurlijk ook weer de emanatie van een statusbevestigende sociale strategie. Mme Swann behoort tot een soort van tussenklasse: niet de hoge aristocratie van de faubourg Saint-Germain, maar toch in elk geval ver verheven boven de heffe des volks. Zij behoort tot een artistiekerige, meegaand geworden klasse van de rijken, een tussensoort die misschien – zegt Proust in retrospectief – niet meer bestaat. Het is een tussensoort die in die mate bereikbaar is voor de jongemannen die op hetzelfde moment, en beslist niet toevallig, op straat rondzwermen, dat ze zich kunnen afvragen of het wel gepast zou zijn Mme Swann beleefd te groeten. Ze doen het dan toch maar, wat bij het gevolg van Mme Swann un mouvement d’horlogerie losmaakt, la gesticulation de petits personnages salueurs qui n’étaient autres que l’entourage d’Odette (640:4-7). Een van die personages is Charles Swann. Hij licht zijn zijden avec une grâce souriante, apprise dans le faubourg Saint-Germain, mais à laquelle ne s’alliait plus l’indifférence qu’il aurait eue autrefois (640:8-10). Hautaine aristocratische onverschilligheid heeft bij Charles plaatsgemaakt voor een ergernis – omdat de jongemannen die Odette kennen zo slecht gekleed zijn – én een bewondering voor Odette – omdat ze zovéél jongemannen blijkt te kennen. Ook nu dus: sentiment mixte (640:15)!

Odette richt zich nog een laatste keer tot Marcel, ze vraagt of het nu echt af is tussen hem en Gilberte. Ze vindt het jammer, want hij oefende zegt ze, een goede invloed uit op haar dochter. Als hij haar maar niet in de steek laat.

Maar kijk, hun gesprekje wordt alweer onderbroken: prins Sagan wil haar groeten. Hij laat zijn paard front maken en produceert un grand salut théâtral et comme allégorique, où s’amplifiait toute la chevaleresque courtoisie du grand seigneur inclinant son respect devant la Femme, fût-elle incarnée en une femme que sa mère ou sa soeur ne pourraient pas fréquenter (640:32-36).

Aan deze momenten zal Marcel later, wanneer hij Gilberte al lang zal vergeten zijn, nog vaak terugdenken. Dat is mogelijk doordat la durée moyenne de la vie van les souvenirs des sensations poétiques langer is dan pour ceux des souffrances du coeur (641:2-4).



Op deze positieve noot eindigt Autour de Mme Swann, het eerste deel van A l’ombre des jeunes filles en fleurs.

geen verloren tijd


*