een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

28 oktober 2014

geen verloren tijd (86)




I:738-747


Op een dag horen Marcel en Robert de Saint-Loup iemand uitvaren tegen de Joden. Het is Bloch. Marcel is niet zo opgezet met het feit dat nu ook zijn oude vriend Bloch in Balbec blijkt te zijn, wellicht omdat hij daardoor de aandacht van zijn nieuwe vriend Robert dreigt te zullen moeten delen. Maar er is ook het feit dat Bloch met zijn familie en kennissen een afgesloten gemeenschap vormt, die zich, omdat de buitenwereld nooit gunstig reageert op een naar binnen gekeerde subgroep, belaagd voelt en – aangezien het hier Joden betreft – op antisemitische wijze bejegend. Maar, aldus Proust, het is ten enenmale niet gemakkelijk om dieper in deze Joodse groep door te dringen en ook daar, net zoals in alle andere groepen, of wellicht zelfs nog meer, beaucoup d’agréments (‘genoeglijke kanten’), de qualités et de vertus (739:26-27) aan te treffen.

Enkele dagen eerder had Bloch aan Marcel gevraagd of hij in Balbec was dans l’espoir de faire de belles connaissances (739:36-37), ‘om leuke meisjes aan de haak te slaan’. Marcel had, naar waarheid, geantwoord dat hij eigenlijk liever naar Venetië was gegaan. Ah, had Bloch gezegd, en dan had hij, Marcel, zich daar ongetwijfeld beziggehouden met het voorwenden dat hij in Ruskins Stones of Venice verdiept was! Hij had Venice fout uitgesproken, als Venaice, een fout die Robert niet had durven te verbeteren uit schrik pedant over te komen. Bloch had later begrepen hoe hij Venice in het Engels juist moest uitspreken, maar de kwestie als ‘onbelangrijk’ weggewimpeld.

Bloch laat zich nog meer van zijn minder sympathieke, onwelopgevoede (mal élévé (744:13)) kant zien door aan Marcel te vragen of hij uit snobisme omgang zoekt met Robert de Saint-Loup, die van adel is maar dan toch maar, volgens Bloch, d’une noblesse très à côté du reste (740:35). Daarmee verwijt hij Marcel te zijn precies wat hij zelf is: een snobist. Dis-moi, es-tu snob? Oui, n’est-ce pas? (740:39) De Verteller wijt deze onbeschaamdheid aan Blochs mauvaise éducation (740:42), een euvel waarvan Bloch zelf zich overigens niet bewust is. Deze vaststelling noopt tot een moraalfilosofische uitweiding. Vreemd toch, stelt Proust vast, dat de goedheid in al haar gelijkvormigheid wijdverbreid is, terwijl het kwaad zich in alle mogelijke gedaanten overal manifesteert: la variété des défauts n’est pas moins admirable que la similitude des vertus (741:19-20). En niemand blijft ervan gespaard, maar niemand ziet het van zichzelf. Waardoor er een enorm verschil ontstaat tussen hoe wij de anderen zien en wat zij werkelijk zijn, evengoed als, vice versa, er een verschil bestaat tussen wat wij denken dat wij zijn en hoe de anderen ons zien – wat dan weer niet overeenstemt met wat zij over ons zeggen, zeker niet aan ons. Men kan met dit alles maar beter rekening houden in het sociaal leven, zoals men ook maar beter niet de volgende fout kan maken: dénoncer chez les autres les défauts précisement analogues à ceux qu’on a (743:21-22). Dat is een zeer verspreid manco: men verwijt de anderen vaak de fouten die men zelf vertoont. Zoals de snob die een ander snobisme verwijt. We bekijken de wereld door de filter van de eigen ondeugden en hebbelijkheden.

Bloch is in sociaal opzicht zo laag gestratificeerd dat hij, mocht hij de gewone weg volgen, plusieurs milliers d’années (744:21) zou nodig hebben om zich tot de bovenste lagen op te werken. En dat is zelfs voor een Jood erg veel. Vandaar de short cut van de botte aanpak. Dit leidt tot verwarring en tegenstrijdigheid – wat het voor Marcel niet altijd makkelijk maakt om zijn vriend correct in te schatten. Bloch vertelt met de grootste vrolijkheid de stomste grappen, en hekelt de auteurs die iedereen hoog inschat. Bovendien spreekt hij bij Robert kwaad over Marcel, en bij Marcel over Robert. Hij zorgt er daarbij wel voor om deze kwaadsprekerij tijdig te herroepen, opdat noch Robert noch Marcel bij de ander zich dan weer over Bloch zou kunnen beklagen. Bloch is er zo een op wie je niet kwaad kunt worden – ook al, zegt de Verteller, omdat je tenais de ma mère et de ma grand’mère d’être incapable de rancune, même contre de bien plus grands coupables, et de ne jamais condamner personne (746:15-17). Dit kenmerk is in elk geval doorslaggevender voor een toegeeflijke houding ten aanzien van Bloch dan diens neiging om de Griekse mythologie in te roepen bij het vergoelijken van zijn kwalijke kantjes en het belijden van zijn grote vriendschap voor Marcel. Deze laatste weet dat dit gefaket is: le culte hellénique étant chez Bloch purement littéraire (746:9). Ik denk niet dat het hineininterpretieren is hierin een verwijzing naar de zogenaamde Griekse beginselen te zien, die men al dan niet kan toegedaan zijn.

Marcel blijft zitten met de vraag of hij nu Blochs lompheid hoger of lager moet inschatten dan diens onbetrouwbaarheid en onberekenbaarheid, eigenschappen die dan toch niet helemaal los lijken te kunnen worden gezien van Blochs Joodsigheid (al probeert Proust hier wel zeer verhullend en voorzichtig te blijven). De houding van Bloch blijft Marcel verbazen jusqu’au jour où je connus M. Bloch père (745:4-5). Die dag komt eraan wanneer hij wordt uitgenodigd om bij de Blochs te komen eten.

Geen opmerkingen:

geen verloren tijd


*