een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

30 mei 2012

geen verloren tijd (40)


I, 308-322



Door zijn liefde voor Odette relativeert Swann het decorum van zijn eigen milieu. Het doet er voor hem niet meer zo toe daarin geacht te worden; hij kan er nu belangeloos genieten van de privileges, ongeveer zoals hij kan genieten van een boek of een schilderij. Het is een gebied van hemzelf dat niet is beschadigd door zijn liefde, en door het verdriet dat met die liefde gepaard gaat. Wanneer dat beperkte, onbeschadigde en klasse-eigen gebied wordt aangesproken, komt ‘Swann junior’ weer tot leven en moet ‘Charles Swann’ wijken. ‘Swann junior’ geniet echt als hij in zijn kringen wordt opgeroepen om, bijvoorbeeld, een huwelijk bij te wonen – en zo komt het dat hij aanwezig is op het huwelijk van Marcels ouders. In zijn eigen kringen kan hij weer l’homme exquis par excellence (311:5) zijn – en dat zint hem wel.

Het wordt steeds moeilijker om Odette te zien te krijgen. Het lukt op den duur maar door listen te verzinnen, en een beroep te doen op de bemiddeling van bijvoorbeeld Marcels oudoom Adolphe, die door Odette aanbeden wordt: Vous, en qui elle a tant de confiance, ne pourriez-vous lui dire quelques mots pour moi, lui assurer qu’elle s’exagère le tort qu’un salut de moi lui cause? (312:18-20)

Oom Adolphe raadt Swann aan Odette een beetje gaar te laten sudderen, haar verlangen om hem te zien kan er alleen maar groter op worden. En hij raadt Odette aan Swann zoveel mogelijk bij haar uit te nodigen. Odettes antwoord op deze taktieken is nogal drastisch: ze beschuldigt Adolphe er bij Swann van haar te hebben aangerand: mon oncle était pareil à tous les hommes: il venait d’essayer de la prendre de force (312:25-27). Swann kan niet anders dan breken met Adolphe. Dat is jammer want hij had gehoopt om van hem informatie in te winnen over Odettes losbandige leven in Nice en Baden – ze zou er zelfs une sorte de notoriété galante (313:6) hebben genoten. Swann maakt zichzelf wijs dat deze kwalijke reputatie slechts in hoofde van kwaadsprekers bestaat, zij doet geen afbreuk aan het beeld van Odette dat hij koestert. Dat gekoesterde beeld wordt versterkt door haar aanblik, wanneer zij eens verstrooid voor zich uit zit te kijken en zij lijkt te zijn bevangen door quelque bon sentiment comme il en existe dans toutes les créatures (314:13-14). Met deze indrukken – en met weglating van alle mogelijke negatieve, die hij niet ziet of niet wil zien – bouwt Swann de ideale Odette pour laquelle il fit plus tard (…) des sacrifices que l’autre Odette n’eût pas obtenus (314:27-29). En die autre Odette is dan de werkelijke Odette welteverstaan. Waarop dat plus tard slaat, dat staat tussen de haakjes: comme on le verra dans la deuxième partie de cet ouvrage (314:27-28) – wat dan wellicht slaat op A l’ombre des jeunes filles en fleurs.

Swann wordt nog maar weinig de gelegenheid geboden een dergelijk ideaalbeeld samen te stellen: hij krijgt Odette nauwelijks nog te zien, en indien wel, dan enkel als zij zeker is dat zij zich niet in het bezoek van een andere aanbidder mag verheugen. Dan moet zij in laatste instantie weg, en Swann moet zijn vrienden laten natrekken in wiens attenties zij zich nu weer mag verlustigen. Als zij met M. de Charlus is uitgegaan, heeft hij niets te vrezen en is hij gerustgesteld. Maar tegelijk verontrust het hem want hij beseft qu’Odette devait le trouver bien ennuyeux pour que ce fussent là les plaisirs qu’elle préférait à sa compagnie (316:25-26).

Uiteraard heeft deze voortdurend herhaalde argwaan, dit steeds opnieuw aangehaald en afgestoten worden, een weerslag op Swanns gemoed. Het gebeurt al eens dat hij in bed de slaap probeert te vatten, maar in tranen uitbarst. Dan denkt hij lachend bij zichzelf: ‘C’est charmant, je deviens névropathe.’ (317:8-9) Maar dan realiseert hij zich dat de volgende dag het hele circus weer van voren af aan begint en dat het einde niet in zicht komt, en dan kan het al eens gebeuren dat hij door een intens doodsverlangen wordt overvallen. Niet dat hij dood wil om aan ‘de hevigheid van zijn leed’ te ontkomen, het is veeleer la monotonie de son effort (317:21-22) die hem te veel wordt.

Odettes houding ten aanzien van Swann is, hoe kan het anders, veranderd. Ze doet niet meer onderdanig of zenuwachtig, neen, ze is zelfverzekerd en hautain. Swann blijft het allemaal uitleggen als blijken van liefde: zij kan mij niet opleggen te veranderen, denkt hij, indien zij mij niet ook maar een klein beetje graag ziet. Ainsi trouvait-il dans ce reproche qu’elle lui faisait, comme une preuve d’intérêt, d’amour peut-être (320:32-34). Op den duur is Odettes houding ten aanzien van Swann niet anders dan ‘onverschillig, afwezig, prikkelbaar’ – maar Swann ziet het niet want de verandering heeft zich te geleidelijk voltrokken en hij zou er alleen iets van kunnen merken qu’en mettant en regard de ce qu’elle était aujourd’hui ce qu’elle avait été au début (321:24-26). Hij verdringt het gewoon, de peur de trop souffrir (321:31), en dat is ook de reden waarom hij in een wijde boog om le souvenir des jours heureux (322:3-4) heen fietst.

25 mei 2012

geen verloren tijd (39)

I, 297-308

Hoewel Odette liever niet met hem in het openbaar verschijnt, gebeurt het toch een enkele keer dat zowel zij als Swann op hetzelfde feest zijn uitgenodigd. Dan verlaat Swann voortijdig het evenement, en wanneer hij eenzaam naar bed gaat, valt het hem zwaar zich voor te stellen hoe Odette zich amuseert met de mannelijke belangstelling die haar te beurt valt. Als ze haar maar niet meenemen naar een gekostumeerd bal want de gedachte aan de wellust die zij haar daar zouden verschaffen maakt Swann nog jaloerser dan indien hij zou weten dat Odette met een van die mannen l’union charnelle (297:36) zou hebben – want van die wellust kan hij zich, in tegenstelling tot de ‘geslachtsgemeenschap’, géén voorstelling maken. Jaloezie wordt aangewakkerd door het onvermogen zich voor te stellen waarop men precies jaloers zou kunnen zijn. Het is, voegt de verteller er aan toe, zoals enkele jaren later met de jonge Marcel die in Combray naar bed wordt gestuurd terwijl Swann beneden aan tafel zit: comme je devais l’être moi-même quelques années plus tard les soirs où il viendrait dîner à la maison, à Combray (297:21-23).

Swann is dan ook des te verbouwereerder wanneer Odette dan toch naast hem staat en vraagt door hem naar huis te worden gebracht: hij heeft zich om niets zorgen gemaakt. En wanneer zij Forcheville laat weten dat diens aanwezigheid daarbij niet gewenst is, dan kan Swann al helemaal zijn vreugde niet op! Dan worden alle zorgen die hij zich over haar gemaakt heeft weggevaagd door de voorafspiegeling van vleselijke lusten en ziet hij enkel nog haar corps charmant (298:40). Zou het dan toch kunnen dat zij geen dubbel leven leidt? En dan kan Swann alleen maar verlangen naar een in alle eenvoud en vrede gedeeld leven met haar waarin de eenvoudigste dingen en handelingen une sorte de douceur surabondante et de densité mystérieuse (299:37-38) zouden krijgen. Hoewel, onmiddellijk na dit visioen beseft hij, beseft hij maar al te goed, dat Odette hem in zo’n toestand van rust, wanneer hij zou genezen zijn van zijn onstilbare verlangen naar haar en zijn verliefdheid, niet langer zou interesseren: ze is te banaal, ce que pourrait faire Odette lui serait indifférent (300:11-12). En Swann beseft, hij beseft maar al te goed dat, indien hij een dergelijke genezing zou ondergaan, hij zou ophouden te bestaan want hij ís op dit ogenblik die verliefdheid: il redoutait à l’égal de la mort une telle guérison, qui eût été en effet la mort de tout ce qu’il était actuellement (300:13-15).

Swann wordt heen en weer geslingerd tussen verliefdheid en jaloezie – en geen van beide gevoelens wil hij bewaarheid zien. Van de weeromstuit begint hij Odette te haten. Hij wacht op een aanleiding om zijn woede op haar te koelen. Die aanleiding komt er wanneer zij ingaat op zijn aanbod om naar Bayreuth te gaan en daar een kasteeltje af te huren: dan kan ze er Forcheville en de Verdurins uitnodigen en het spreekt dan vanzelf dat er voor Swann zelf, die alles betaalt, geen plaats kan zijn. Hij denkt er niet aan dat uitje van haar te bekostigen!, schrijft hij haar. Maar Swanns woede slaat al vlug weer over in zijn tegendeel en hij maakt zich zorgen over het feit dat hij door zijn boze brief in haar achting is gedaald.

En wanneer na deze heel oscillatie Swann weer bij zijn verliefdheid is uitgekomen, kan hij vrede nemen met een ingebeelde kus en een ingebeelde betoverende en lieve blik; hij is in elk geval even tevreden met die ingebeelde blik que si elle (Odette) venait de l’avoir réellement et si ce n’eût pas été seulement son imagination qui venait de le peindre pour donner satisfaction à son désir (303:5-7).

Swann beseft dat hij de redenen die hij heeft om wrokkig tegen Odette te zijn enkel kan doen gelden omdat hij haar zo graag ziet. Dezelfde redenen zouden ten aanzien van andere vrouwen, die hij ooit graag gezien heeft maar nu niet meer, niet volstaan.

Swann probeert een neutraal standpunt in te nemen en de zaak te overdenken. Misschien zou het toch beter zijn Odette met Forcheville naar Bayreuth te laten gaan: het zou zijn positie alleen maar verstevigen als Odette eens de gastvrouw zou kunnen spelen, wat ze zo graag wil. Dan kan hij zijn vertrouwen in haar demonstreren ten aanzien van Forcheville, wiens positie in Bayreuth niet anders zou zijn dan op gelegenheden in Parijs waar Swann niet – en Odette wel – van de partij is. Bovendien zou Odette Swann dankbaar zijn als hij haar die reis toch zou betalen, en ze zou bij hem komen en vriendelijk zijn en hem met al haar charmes betoveren. En ze zou hem weer smaak doen krijgen in muziek. Elle était redevenue l’Odette charmante et bonne. Il avait des remords d’avoir été dur pour elle. (304:34-36)

Odette is, hoe oppervlakkig en banaal ook, natuurlijk niet van gisteren en zij doorziet dit ingewikkelde heen-en-weer in het gemoed van Swann. Zij weet dat zij hem gerust kan mishagen en hem les faveurs auxquelles il tenait le plus (305:1-2) ontzeggen, een beetje later windt ze hem toch weer rond haar vinger.

Swann is van de twee het ziekst. Hij is in die mate het slachtoffer van zijn verliefdheid, hij is er zo verslaafd aan, dat het nog maar de vraag is of het wel goed zou zijn hem ervan te verlossen. Zijn liefde is zo tot in alles, tot in zijn hele persoonlijkheid doorgedrongen, dat Swann niet meer te genezen valt: comme on dit en chirurgie, son amour n’était plus opérable (308:41-42).

Bladzijden lang put Proust zich uit voor de beschrijving van dit hypocriete spel van simuleren en elkaar testen en bedriegen en zichzelf voorliegen. De gedetailleerd geanalyseerde gemoedsbewegingen die hij ons hier voorschotelt, zijn nauwelijks nog te volgen. Het gaat om uiterst subtiele verschuivingen, voorafnames, berekeningen. Het gaat om de spiegeling van de spiegeling van een spiegeling. Je moet, als in het schaken, niet één zet voor blijven maar als het kan drie of vier of vijf. Ik voel bij mijn lectuur van deze oeverloze bladzijden mijn aandacht verslappen.

23 mei 2012

geen verloren tijd (38)

I, 289-297

De Verdurin-kring levert voor Odette en Swann niet langer de gelegenheid om elkaar te zien, maar vormt nu een beletsel. Swann kan Odette niet beletten om, op uitnodiging van de Verdurins, naar tweederangsspektakels te gaan kijken die niet beantwoorden aan zijn hoge esthetische standaarden. Wanneer Odette door de Verdurins is gevraagd om mee te gaan à l’Opéra-Comique voir Une Nuit de Cléopâtre (289:30-31), leest Swann al in Odettes ogen haar vrees dat hij haar zal vragen om niet mee te gaan. Maar hij kan niet kwaad zijn, overweegt hij, als hij ziet hoeveel plezier ze aan dat minderwaardige toneel beleeft. Blijkbaar heeft hij haar niet kunnen omturnen tot een cultuurmens met voldoende smaak om te begrijpen dat Victor Massé een minderwaardig dramaturg is. Als zij aan dat plezier niet verzaakt, lijkt ze in zijn ogen minderwaardig, dan is ze niet meer dan un poisson sans mémoire et sans réflexion qui, tant qu’il vivra dans son aquarium, se heurtera cent fois par jour contre le vitrage qu’il continuera à prendre pour de l’eau (290:32-35).

Odette houdt geen rekening met de inhoud van Swanns betoog, dat veel gewrongener is dan hier weergegeven (– zodanig gewrongen dat ik het nauwelijks kan ontwarren). Het enige wat haar interesseert is dat het feit dat hij inzit met haar esthetische voorkeuren, bewijst dat hij nog steeds verliefd is op haar.

Bij een andere gelegenheid zegt hij haar dat als er iets was, meer dan wat anders ook, dat zou maken dat hij haar niet meer graag zou zien, dat dat dan zou zijn qu’elle ne voulût pas renoncer à mentir (291:20-21).

Ondertussen is Odette fysiek minder fraai geworden – maar ook dat verhindert niet dat Swann verliefd op haar blijft. Zelfs integendeel!

Sommige uitstapjes van de Verdurins duren meerdere dagen: dan gaan ze architecturale bezienswaardigheden bekijken in Beauvais, of in Pierrefonds. (Proust neemt even de gelegenheid te baat om zijn afkeer uit te spreken over de door Viollet-le-Duc geleide restauraties van middeleeuwse gebouwen.) En dan moet Swann heel erg vechten tegen de verleiding om de trein te nemen en als het ware toevallig op die plaatsen op te duiken. Als dekmantel gebruikt hij de marquis de Forestelle, die hem moet vergezellen en het voor Odette moet verhullen dat hij daar enkel en alleen is om haar te ontmoeten. De markies is zeer verwonderd dat Swann voor het eerst in vijftien jaar nog eens iets van zich laat horen. Maar op het laatste moment verandert Swann toch van gedacht: hij en de markies zullen dan toch niet samen naar Pierrefonds gaan. Odette zou hem een geënsceneerde toevallige ontmoeting zwaar aanrekenen met een vermindering van haar liefde voor hem. En dan neemt Swann er vrede mee haar thuiskomst tot laat in de nacht te verbeiden, niet wetende dat ze al in de namiddag is thuisgekomen en er eenvoudigweg niet aan heeft gedacht hem daarvan op de hoogte te brengen: elle n’avait même pas pensé à lui (295:30). En uitgerekend die onachtzaamheid bindt hem nog meer aan haar que toute sa coquetterie (295:33).

Swann brengt hele dagen in liefdesleed door. Het is voor hem niet zoals voor de kleine Marcel vele jaren later in Combray, die dan tenminste overdag nog gelukkig is alvorens ’s avonds door zijn niet naar boven komende moeder zoveel verdriet te worden aangedaan. Swann denkt voortdurend aan Odette en zwelgt in zijn jaloezie. Soms kan ze liegen, zonder dat hij dat wil inzien, en dan is al wie hem op haar leugens wijst in zijn ogen ongeloofwaardig. Maar als hij overtuigd is dat ze de waarheid niet spreekt, is het voor haar volstrekt onmogelijk om hem van het tegendeel te bewijzen, ook al spreekt ze voor een keer wel de waarheid.

Swann is zo jaloers dat elke naam die zij noemt in zijn geest voor een minnaar staat. Een keer heeft hij zelfs une agence de renseignements (297:8-9) ingeschakeld, maar daardoor kwam hij enkel aan de weet dat een in zijn ogen verdachte, door Odette genoemde persoon, in werkelijkheid un oncle d’Odette mort depuis vingt ans (297:12) was.

Alles wat Swann doet en laat staat in het teken van Odette. Zo frequenteert hij een bepaald restaurant niet omwille van de keuken maar omdat het dezelfde naam draagt als de straat waar Odette woont: dat is une de ces raisons, à la fois mystiques et saugrenues (‘dwaas’) qu’on appelle romanesques (296:18-19).

22 mei 2012

geen verloren tijd (37)

I, 284-289


Een maand na het incident met de brief komt Swann te weten, door een lompe verspreking van de schilder, dat hij niet is uitgenodigd om samen met de Verdurins en Odette te gaan picknicken in Chatou. Het wordt hem met de grootst mogelijke hypocrisie niet rechtstreeks gezegd. Het gezelschap gaat uit elkaar. Odette komt samen met Forcheville in een koets te zitten, Swann blijft alleen achter. Hij kijkt zo beteuterd dat zijn koetsier hem vraagt s’il n’était pas malade ou s’il n’était pas arrivé de malheur (285:41-42). In haar nagesprek met haar echtgenoot hekelt Mme Verdurin Swanns lompheid. Wat denkt hij wel, dat Odette van hem is? En ze noemt hem een sale bête (285:32), waarmee ze, aldus Proust (en alleen hij kan het weten), zonder het te beseffen precies dezelfde woorden gebruikt als in Combray Françoise, wanneer de kip die ze aan het slachten is niet meteen dood wil gaan.

Swann weigert de diensten van zijn koetsier en gaat te voet naar huis. Hij denkt aan de Verdurins en de kring lijkt hem, nu Odette er een ander ontmoet, belachelijk en minabel. Hetzelfde geldt voor de picknick in Chatou: wat een kleinburgerlijke bedoening! En hoe armzalig schijnen de grapjes van Mme Verdurin, waar hij vroeger samen met Odette smakelijk om kon lachen, hem nu toe! Hij roept met kletterende minachting voor zich uit, terwijl hij naar huis stapt: J’habite à trop de milliers de mètres d’altitude au-dessus des bas-fonds où clapotent en clabaudent de tels sales papotages, pour que je puisse être éclaboussé par les plaisanteries d’une Verdurin (‘Ik woon te mijlenhoog boven de poel waar dat soort vuile prietpraat klotst en kleddert om te worden besmeurd door de grappen van een medam Verdurin’, vertaalt Thérèse Cornips nogal vrij; 287:5-8). Swann trekt alle registers van zijn misprijzen open en vergelijkt de kring van de Verdurins met le dernier cercle de Dante (287:37). En hij besluit zijn diatribe: Dieu merci, il n’était que temps de ne plus condescendre à la promiscuité avec cette infamie, avec ces ordures. (288:18-20)

Maar natuurlijk zijn deze woorden er meer pour assouvir sa colère que pour exprimer sa pensée (288:36-37). En die pensée is wel degelijk: dat hij wil uitgenodigd worden voor de picknick. Maar hij wordt niet uitgenodigd, bevestigt Mme Verdurin nu ook ten aanzien van dokter Cottard, die van niets weet en ernaar vraagt. Et il ne fut plus question de Swann chez les Verdurin. (289:21-22)

20 mei 2012

geen verloren tijd (36)

I, 276-284


Het wordt nog erger na een incident bij de Verdurins. Forcheville pest Saniette op een bijzonder wrede manier buiten – het is niet duidelijk waarom precies – en Swann ziet hoe Odette instemt met deze gemene daad: elle lui avait jeté un regard de complicité dans le mal (277:18-19). En zoals we het van Proust kunnen verwachten, is het niet dat kwade, die bassesse (277:14), die Swann onoverkomelijk lijkt maar de complicité.

Op een dag gaat Swann bij Odette langs op een uur dat hij normaal gezien nooit bij haar langsgaat, en zij doet niet open. Wel hoort hij voetstappen. De gordijnen zijn dicht. Zijn argwaan is gewekt. Een uur later gaat hij terug en nu doet ze wel open. Zij verzint iets, het is overduidelijk dat ze iets achterhoudt. Het stukje dat ze heeft verzonnen past niet in de puzzle van de werkelijkheid. En Swann beseft dat hij de waarheid niet te weten zal komen. Maar hij gaat er niet op in, wellicht om zichzelf te beschermen tegen de waarheid die zij achterhoudt. Als het voorval hem somber maakt en mogelijk zelfs zelfmoordneigingen (la fièvre du suicide (279:14) bezorgt, dan ligt dat volledig bij hemzelf. Eens hij van zijn somberte zal genezen zijn, zo denkt hij, zal Odettes ontrouw opnieuw onschadelijk worden. Bovendien heeft Swann een leeftijd bereikt waarop je al wat pragmatischer begint te denken.

Wanneer hij weggaat, houdt Odette hem tegen. Maar Swann herkent in de manier waarop ze hem nu – quasi smekend – aankijkt de blik waarmee ze Mme Verdurin voorloog over een afwezigheid op de bijeenkomst: ze zei dat ze ziek was geweest maar in werkelijkheid was ze niet gegaan om bij Swann te blijven. Wreed spel: waar ze toen tegen een ander loog om bij hem te kunnen zijn, liegt ze nu tegen hem omdat ze bij een ander is geweest. Swann ziet haar onhandig liegen, zo onhandig dat hij de indruk krijgt dat ze nog iets ernstigers verbergt dan alleen maar dat ze even met een andere man is samen geweest.

Net op dat ogenblik gaat de bel. De spanning wordt verbroken, Swann ondergaat alleen nog maar un sentiment de découragement, presque de détresse (‘ontreddering’; 281:31).

Nu wordt het spel pas echt perfide. Odette vraagt Swann, nu hij toch vertrekt, een paar brieven te posten. De meeste zijn aan leveranciers gericht, maar er zit toch ook eentje tussen voor Forcheville. Swann wordt op de proef gesteld. Blijkbaar is Odettes vertrouwen in zijn rechtschapenheid groot: cette enveloppe qu’Odette lui avait remise sans crainte, tant était absolue la confiance qu’elle avait en sa délicatesse (283:11-13). Maar als hij de brief niet openmaakt, zal de achterdocht blijven. De enige manier om Odette niet ten onrechte met die achterdocht te beladen, is de brief openmaken: c’est la seule manière de me délivre du soupçon peut-être calomnieux (‘schandalig’, maar ‘misplaatst’ lijkt mij een betere vertaling) pour elle, destiné en tous cas à la faire souffrir et que rien ne pourrait plus détruire, une fois la lettre partie (282:4-7). Swann ziet zich met andere woorden voor een dilemma geplaatst – en geen van beide mogelijkheden is op een moreel neutrale manier te beantwoorden.

Natuurlijk leest Swann de brief. Althans voor zover dat mogelijk is zonder de envelop open te maken: er is een smalle strook waar de binnenkant van de envelop niet gevoerd is en als je de brief voor een kaars houdt, kun je daar dwars door de envelop heen lezen. Het onderscheid tussen metterdaad zondigen en zondigen in gedachten wordt hier subtiel in beeld gebracht! Ook aan Forcheville schrijft Odette dat hij zijn sigaretten bij haar heeft laten liggen, net zoals zij in haar eerste brief aan Swann heeft geschreven! Maar deze keer schrijft ze niet, zoals ze in haar brief aan Swann heeft gedaan, dat hij beter zijn hart bij haar had laten liggen. Dat stelt Swann gerust: dit is blijkbaar geen amoureuze brief. Toch verklaart het niet waarom Odette het blijkbaar nodig vond tegen hem te liegen. Zijn jaloezie wordt er alleen maar groter van: sa jalousie s’en réjouissait, comme si cette jalousie eût eu une vitalité indépendante, égoïste, vorace de tout ce qui la nourrirait, fût-ce aux dépens de lui-même (283:18-21). Jaloezie is een vraatzuchtig beest dat zich met alles voedt, ook met de persoon die er onder lijdt.

Op de duur wordt elk manspersoon dat in de omgeving van Odette opduikt of zou kunnen opduiken verdacht. Et comment n’aurait-il pas été misanthrope, quand dans tout homme il voyait un amant possible pour Odette? (284:3-5) De jaloezie ondergraaft Swanns karakter, en na verloop van tijd is het hem ook aan te zien.

18 mei 2012

geen verloren tijd (35)

I, 266-276


Swann beseft niet dat hij bij de Verdurins in ongenade is gevallen. Hij blijft, verblind door de liefde, hun belachelijkheid door de vingers zien. En hij blijft Odette bloemen en sieraden sturen en financieel ondersteunen, in de hoop dat hij haar dankbaarheid hiervoor zal kunnen interpreteren als een teken van haar liefde. Dat is zelfbegoocheling, natuurlijk, en nog meer zelfbegoocheling is de gedachte, voortgekomen uit het besef dat haar liefde voor hem misschien toch niet echt bestaat, dat haar berekening (bijvoorbeeld cadeaus aanvaarden uit eigenbelang) eigenlijk comfortabel is omdat hij daardoor niet voortdurend met de volle inzet van zijn persoon haar liefde moet proberen af te dwingen. Dat zou hem verlossen van de soin épuisant de lui plaire par lui-même (267:27-28).

Een praktisch nadeel van liefde met geschenken te willen afkopen, is dat je nooit het aantal geschenken kunt verminderen: de aanbedene zou kunnen denken dat je liefde aan intensiteit inboet! De sluimerende gedachte dat Odette niet meer zou zijn dan zijn ‘maintenee’ (femme entretenue (268:33), schakelt Swann uit – zoals je in een huis waarin elektriciteit is aangebracht, alle licht met een druk op de knop kunt uitschakelen. (Het werkwoord ‘verdringen’ is blijkbaar nog niet ingeburgerd.)

Als Swann niet naar de Verdurins gaat, onderhoudt hij zijn contacten met de beau monde – je weet nooit dat die contacten Odette nog van pas zouden kunnen komen. Ja, ook daar, als zij er niet bij is, denkt hij voortdurend aan Odette. Hij maakt zich zorgen. Hij voelt zich souffrant et triste (270:3) sinds Odette Forcheville heeft geïntroduceerd bij de Verdurins. Hij heeft er behoefte aan zich terug te trekken op zijn landgoed près de Combray (270:11) – maar hij zou natuurlijk nooit de stad verlaten zonder Odette. Ook de mondaine pleisterplaatsen in het Bois de Boulogne bieden geen soelaas.

Voorlopig heeft Swann geen reden om jaloers te zijn. Wanneer hij, bij de Verdurins, zegt dat hij de volgende dag niet zal kunnen komen omdat hij naar een banket gaat, zegt Odette luidop: je ne vous verrai donc que chez moi (271:13-14). Deze openlijke verklaring is schaamteloos maar geruststellend: de concurrentie is er getuige van. Overigens: naarmate de concurrentie groter en openlijker is, wordt Odette begeerlijker voor Swann en gaat hij nog meer van haar houden.

De volgende dag komt Swann laat bij Odette aan. Het onweert en Odette zegt dat ze er hoofdpijn van gekregen heeft en dus: pas de catleyas ce soir (272:23). Swann gaat naar huis maar vat argwaan op en keert terug. En inderdaad: Odettes licht brandt nog en hij hoort dat ze met iemand praat. Vreemd genoeg maakt dit hem niet wanhopig. Integendeel, te weten dat Odette nog een andere minnaar heeft, maakt een einde aan zijn onzekerheid en argwaan. Het verlangen er het fijne van te weten verschaft hem zelfs un plaisir de l’intelligence (273:36). De banaalste weetjes over haar doen en laten – waar hij vroeger nooit aandacht zouden hebben besteed – krijgen nu de status van wetenschappelijke feiten. En de methodes om deze te achterhalen (achter deuren staan luisteren, bedienden omkopen, enzovoort) worden méthodes d’investigation scientifique d’une véritable valeur intellectuelle et appropriées à la recherche de la vérité (274:20-22).

Swann beseft dat hij Odettes liefde zal verliezen door, om de onmiddellijke genoegdoening van de zekerheid te verwerven, aan te kloppen want hij kan daar niet hebben gestaan zonder haar te verdenken. Mais le désir de connaître la vérité était plus fort et lui sembla plus noble. (274:33-34) En dus klopt hij op het raamluik.

Swann blijkt zich te hebben vergist – hij heeft op het verkeerde raam aangeklopt. Dat lucht hem op: heureux que la satisfaction de sa curiosité eût laissé leur amour intact. De vergissing heeft het conflict ook vermeden omdat Swann, door haar te tonen dat hij jaloers is, haar het bewijs zou hebben gegeven dat hij haar te graag ziet, een bewijs dat, entre deux amants, dispense, à tout jamais, d’aimer assez, celui qui la reçoit (275:37-43).

Welke berekeningen en kronkels, allemaal!

Toch laat dit ‘onzalige avontuur’ zijn sporen na. Swann spreekt er natuurlijk niet over met Odette, maar hij kan de herinnering eraan niet verdringen. En die herinnering doet pijn. En ook denken dat hij er niet aan mag denken, is eraan denken. Het kwaad is geschied: de kiem van de jaloezie heeft in zijn brein een vruchtbare grond gevonden. Elke liefkozing die ze hem gunt, krijgt een ‘dubbelganger’: dat kan ze ook voor een ander doen. Het gevolg is qu’il en arrivait à regretter chaque plaisir qu’il goûtait chez elle (276:25-26); alle strelingen en of ‘aanvalligheden’ worden kwellingen.

15 mei 2012

geen verloren tijd (34)


I, 247-266


De smaak en de wereld van Odette zijn niet die van Swann. Maar hij probeert haar niet om te buigen naar zijn ideaal, integendeel, zijn liefde voor haar straalt af op wat zij mooi en belangrijk vindt – en hij begint, geheel tegen zijn natuur zou je kunnen zeggen, haar voorkeuren te delen. Daardoor kan hij ook van de kring van de Verdurins houden, hoewel deze zeker niet beantwoordt aan de sociale status die hij gewoon is. Hij spiegelt zichzelf het denkbeeld voor dat hij nooit nog ergens anders heen zal willen gaan, en hij dicht de deelnemers aan de bijeenkomsten aldaar zelfs positieve eigenschappen toe die ze uit zichzelf niet echt hebben. Ja, hij dicht ze ‘grootheid’ toe: Ce sont des êtres magnanimes, et la magnanimité est, au fond, la seule chose qui importe et qui distingue ici-bas. (249:2-4) Over Mme Verdurin zegt hij zelfs dat haar attenties ten aanzien van hem révèlent une compréhension plus profonde de l’existence que tous les traités de philosophie (249:25-27).

Swann is met andere woorden verblind. Hij vergeet dat er naast de Verdurins nog wel andere mensen met groothartigheid en kunstzinnigheid bestaan die minstens evenveel als M. en Mme Verdurin zijn aandacht zouden verdienen.

Swann ziet ook niet dat M. en Mme Verdurin, nu zo door hem verheerlijkt, hem niet eens echt graag hebben. Zij voelen aan dat de manier waarop hij hen waardeert niet strookt met het sociale verschil dat er hoe dan ook tussen hen blijft bestaan. Zo is Swann blijkbaar niet bereid diegenen die niet tot de kring behoren openlijk, ten aanzien van de ‘getrouwen’, af te zweren. Er blijft in hem, zo voelen de Verdurins het aan, un espace réservé, impénétrable (250:10-11) bestaan, en ze ervaren, met betrekking tot leurs dogmes, une impossibilité de les lui imposer, de l’y convertir entièrement (250:15-17).

Wat een tegenstelling met die andere gast die zijn opwachting maakt bij de Verdurins: le comte de Forcheville (250:28)! Deze snob hemelt de Verdurins helemaal niet op, zoals Swann, maar hij onderschrijft wel, in tegenstelling tot Swann, die daarvoor te fijnbesnaard is, de critiques trop manifestement fausses que dirigeait Mme Verdurin contre des gens qu’il connaissait (250:38). En hij keurt de tirades van de schilder en de grapjes van Cottard wél goed.

Swann reageert jaloers wanneer hij merkt dat Odette deze nieuwe gast heeft aangebracht – ook al heeft hij zelf niet l’idée d’être jaloux d’Odette (253:34).

De verschillen tussen Forcheville en Swann vallen al meteen op bij het eerste diner waaraan Forcheville deelneemt. Hetgeen précipita la disgrâce de Swann (251:8-9) – voegt Proust er omineus aan toe.

Het verslag van dat diner neemt ongeveer veertien bladzijden in beslag. Wanneer Proust dan eindelijk weer de draad opneemt, herneemt hij meteen dat woord disgrâce: Swann ignorait encore la disgrâce dont il était menacé chez les Verdurins (266:23-24).

Behalve de habitués neemt ook professor Brichot deel aan het diner. Hij is zo’n academicus die graag vulgariserend uit de hoek komt en de scherpe kanten van zijn al te theoretische kennis verzacht door voorbeelden te zoeken uit de actualiteit en de levenssfeer van zijn gespreksgenoten. Vanuit zijn achtergrond kan Swann de grapjes van de professor alleen maar pédantesques, vulgaires et grasses à écoeurer (weerzinwekkend grof; 253:21-22) vinden.

Het gesprek gaat over figuren uit een zeer ver verleden van de Franse geschiedenis. Swann verlegt het onderwerp en vraagt iets over de tentoonstelling van een schilder die hij bewondert – maar Biche kaapt met zijn repliek alle aandacht weg. De schilder gebruikt zelfs het woord caca (254:31)! Dan brengt Mme Cottard het gesprek op een recent toneelstuk van Alexandre Dumas fils waar haar man samen met Swann naartoe is gegaan en waarin sprake is van een salade japonaise (256:4).

In dit gesprek schuilt achter bijna elke regel een venijnig te interpreteren sneer of opmerking aan het adres van een van de aanwezigen – zodat het beleefde gebabbel voortdurend onder een bijna te snijden hoogspanning blijft staan. Die wordt geneutraliseerd door de humor: de schilder die caca zegt, of Forcheville die zich het gemeenzame tussenvoegsel saperlipopette (262:9) laat ontvallen, of de blunders van dokter Cottard en archivaris Saniette…

Ondertussen steekt Forcheville zijn bewondering voor het oratorisch talent van Biche niet onder stoelen of banken – ook al heeft hij quelques mots un peu réalistes (257:40-41) gebezigd. Maar ja, dat is nu eenmaal le goût du jour (257:41), dat moet kunnen. Biche doet met zijn welsprekendheid Forcheville overigens denken aan een kameraad in zijn regiment. Die kon over om het even wat om het even wat zeggen. Swann zat trouwens ook in dat regiment, zegt Forcheville, die vastbesloten lijkt om elke gelegenheid te baat te nemen om bij Odette in het gevlei te komen – reden waarom hij iets over Swann zegt waarvan hij denkt dat het positief is: dat hij hem nooit te zien krijgt omdat hij altijd bij oude adellijke families zit. Bijvoorbeeld de La Trémoïlles. Dat is niet juist en Mme Verdurin, die dat weet, slaagt er nauwelijks in haar afkeuring te verbergen: de door Forcheville genoemde namen zijn helemaal niet achtbaar. On me paierait bien cher que je ne laisserais pas entrer ça chez moi (259:16-17), zegt Mme Verdurin en ze werpt Swann een strenge blik toe. Maar Swann neemt de handschoen op en verdedigt de familie La Trémoïlles: die zijn best wel intelligent. Waarop Forcheville hem vraagt wat hij daaronder verstaat. Hij krijgt een belegen, niet ter zake definitie van een oude Franse filosoof.

Na de maaltijd gaat Forcheville bij dokter Cottard en M. Verdurin – ouwe jongens krentenbrood – eens polsen of ze madame de Crécy, Odette dus, ook zo’n lekker stuk vinden, saperlipopette! J’aimerais mieux l’avoir dans mon lit que le tonnerre (262:14-15), antwoordt Cottard gevat. M. Verdurin gebaar met veel misbaar, waarbij zijn pijp en nogal wat rook te pas komen, dat hij deze grol grappig vindt. M. Verdurin meldt zijn vrouw dat Odette bij Forcheville in de smaak valt. Mme Verdurin aarzelt niet: zij meent te weten dat Odette graag eens met de comte zou dejeuneren. Nous allons combiner ça, mais il ne faut pas que Swann le sache. (263:10-11)

Stilaan vertrekken de gasten. Odette ziet Forcheville ongaarne vertrekken en kan het niet opbrengen neen tegen Swann te zeggen. Maar ze is humeurig. Mme en M. Verdurin kaarten na. Ze spreken kwaad van Swann omdat hij te stroperig sprak over de door het gezelschap gehekelde oude Franse adel.  M. Verdurin is streng in zijn oordeel: hij vindt Swann een hypocriet heerschap dat altijd rond de pot draait en de kool en de geit wil sparen. Quel différence avec Forcheville! Voilà au moins un homme qui vous dit carrément sa façon de penser. (265:31-33) Bovendien heeft Swann geen titel, hij is le raté, le petit individu envieux de tout ce qui est un peu grand (266:5-7). Dan heeft Forcheville tenminste nog zijn titel van comte! Het is M. Verdurin ook niet ontgaan dat Odette meer in Forcheville ziet dan in Swann.

geen verloren tijd


*