een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

05 mei 2013

geen verloren tijd (55)


I:465-473

En dan gaat het over Mme Swann: Norpois zegt de avond tevoren bij haar te hebben gedineerd. Er waren nog andere getrouwde, maar niet door hun echtgenotes vergezelde, mannen, meldt hij subtiel maar zwaar ironisch. En er waren ook vrouwen. Maar ja, echt gewone vrouwen waren dat toch ook niet bepaald.

Proust wijst hier uitdrukkelijk op de dubbelheid die in deze kringen vele boodschappen kenmerkt, een dubbelheid die niet de verhulling tot doel heeft maar integendeel de versterking van datgene wat in een ‘normale’ context onuitgesproken zou moeten blijven: de markies spreekt avec une finesse voilée de bonhomie et en jetant autour de lui des regards dont la douceur et la discrétion faisaient mine de tempérer et exagéraient habilement la malice (465:28-31).

De markies de Norpois vertelt over de Swanns, hoe ze toch erg snobistisch uitpakken met alle uitnodigingen die ze krijgen. ‘Nous n’avons pas un soir de libre’, zou Swann hebben gezegd, comme si ç’avait été un gloire, et en véritable parvenu (465:43-466:2). Het is duidelijk: Swann doet er alles aan om het statusverlies – Il doit pourtant se trouver dépaysé; évidemment ce n’est plus le même monde. (466:37-38) – dat hij zich door zijn huwelijk met Odette op de hals heeft gehaald, ongedaan te maken door te proberen bij iedereen op een goed blaadje te staan. En hij is blijkbaar bereid om te rekruteren in een laag onder deze waarin hij vóór zijn huwelijk met Odette een plaats innam. Zij heeft het hem nochtans niet gemakkelijk gemaakt: voor hun huwelijk aarzelde zij niet hem te beletten hun dochter te zien. Uiteindelijk bereikte ze haar doel en stemde hij, die nochtans een … (vous savez le mot de Molière) (467:10) is, in met een huwelijk. Iedereen dacht dat het hek dan pas goed van de dam zou zijn, maar het omgekeerde was waar: Odette, nu Mme Swann, begon zich nu ineens poeslief te gedragen – in die mate dat Swann zelfs overal begon te verkondigen dat Odette een voorbeeldige echtgenote was: elle paraît devenue d’une douceur d’ange (467:22-23). Nog wat wispelturig, dat wel, maar zeker niet wispelturiger dan Swann zelf.

Velen verbazen zich over het huwelijk van Swann met Odette, maar dat komt omdat zij zich een verkeerde voorstelling van de liefde maken. Ze begrijpen niets van het caractère purement subjectif du phénomène qu’est l’amour (468:22-23). Wie liefheeft, creëert een fictief personage, dat dezelfde naam als de geliefde draagt maar dat van die persoon te onderscheiden valt en dat eigenlijk grotendeels bestaat uit elementen die de liefhebber uit zichzelf betrekt: liefde is een in hoge mate narcistische projectie. In die zin is het nog verwonderlijk dat Odette zoveel van Swann blijkt te weten: ze kent de titels van zijn geschriften en le nom de Ver Meer lui était aussi familier que celui de son couturier (468:33-35). Toch weet Odette meer van Swanns karakter dan van zijn geschriften, en ze wenste dat in die geschriften meer van dat karakter zou kunnen teruggevonden worden. Dat zou het succes kunnen verhogen dat Swann met die geschriften zou behalen, en dat zou haar dan weer de gelegenheid kunnen bieden om een salon te houden – hetgeen haar vurigste wens is.

Twintig  jaar geleden zou Swann zelf aanstoot hebben genomen aan het huwelijk dat hij nu met de cocotte Odette heeft gesloten. Toen koesterde hij nog de hoop op un éclatant mariage qui eût achevé, en consolidant sa situation, de faire de lui un des hommes les plus en vue de Paris (469:28-30). Dat zou volkomen conventioneel zijn geweest. Maar zijn de huwelijken die tegen de conventie ingaan niet moreel hoogstaander? Het moet wel echt liefde zijn, als je alle maatschappelijke voordelen ervoor veil hebt? En zo is het met Swann gegaan. Door buiten zijn stand te trouwen, is hij un de ces croisements d’espèces comme en pratiquent les mendelistes ou comme en raconte la mythologie (470:15-17) aangegaan – de achterliggende idee die deze verwijzing naar Mendel stuurt, is dat sociale klassen evenveel van elkaar verschillen als soorten in het dierenrijk.

Er is één persoon wier oordeel Swann belangrijk vindt: de Duchesse de Guermantes, die vóór de dood van haar schoonvader Princesse des Laumes was. Maar – en hier loopt Proust vooruit op de gebeurtenissen – hij zal het bij leven niet meer meemaken samen met Odette en Gilberte door de Duchesse de Guermantes te worden ontvangen. Wat erg is – maar misschien zou het minder erg zijn als hij zou weten dat diezelfde Duchesse de Guermantes na Swanns dood een nauwe relatie met Odette en Gilberte zal onderhouden. Het is vaak zo dat we iets te hard verlangen, zodat het zich niet kan verwezenlijken, of dan toch pas als het verlangen, door de dood, is weggevallen – wat dan aanleiding geeft tot un bonheur après décès (471:23-24).

Marcel, die vreest dat het gesprek over Swann stilaan afgerond wordt, vraagt naar de vriendschap tussen Swann en de Comte de Paris. Is hun vriendschap nog mogelijk, nu Swann met Odette getrouwd is? De markies geeft er geen duidelijk antwoord op. De indruk die Odette maakte op de Comte de Paris, naar aanleiding van een toevallige ontmoeting dans une petite gare de chemins de fer d’un des pays de l’Europe Centrale (471:42-472:1) (dichter bij Parijs zou onwelvoeglijk zijn geweest), was zeker niet negatief. En, vraagt Marcels moeder par politesse et par curiosité (472:22-23), wat was uw indruk van Mme Swann? Norpois laat er geen twijfel over bestaan, die indruk was (t)out à fait excellente! (472:26)

03 mei 2013

geen verloren tijd (54)


I:451-465

Marcel wordt door zijn vader aan de markies de Norpois voorgesteld. Norpois treedt Marcel als een diplomaat tegemoet, zoals hij tijdens zijn buitenslandse missies al die belangrijke personen is tegemoet getreden: avec une curiosité sagace et pour son profit (452:6-7), op een niet geheel onzakelijke wijze nieuwsgierig. De markies informeert naar Marcels liefhebberijen en voorkeuren. Het gesprek is voor Marcel bevrijdend, ware het niet dat de markies over literatuur spreekt (want dat is het waar het in de liefhebberijen en voorkeuren bij Marcel om gaat) op een manier die meteen duidelijk maakt dat voor hem de Littérature (452:27; met hoofdletter) heel erg verschilt van het beeld dat Marcel er zich van heeft gevormd. De aanbeveling om toch maar te schrijven, komt dan ook als een verrassing. De markies geeft Marcel een kaartje van de zoon van een van zijn vrienden, een man die al aan de weg van de Littérature heeft getimmerd met een werkje over het sentiment de l’Infini (453:24) bij een Afrikaanse stam en eentje, moins important, mais conduit d’une plume alerte, parfois même acérée (453:26-27), over het repeteergeweer in het Bulgaarse leger! De opwinding die dit bij Marcel teweegbrengt, had niet groter geweest indien men hem gezegd dat hij de volgende ochtend zou moeten vertrekken als scheepsjongen op een zeilboot!

De markies de Norpois adviseert Marcels vader hoe hij het best het legaat van tante Léonie (dat voor Marcel is bestemd maar dat Marcels vader tot Marcels meerderjarigheid moet beheren) belegt. Marcel ziet de waardepapieren en het treft hem dat ze door dezelfde kunstenaars en bijgevolg ook in dezelfde stijl zijn geïllustreerd als de dichtbundels waarvan hij houdt: rien ne fait mieux penser à certaines livraisons de Notre-Dame de Paris et d’oeuvres de Gérard de Nerval (…) que (…) une action nominative de la Compagnie des Eaux (455:9-15).

Op vraag van zijn vader laat Marcel de markies een prozagedicht zien que j’avais fait autrefois à Combray en revenant d’une promenade (455:20-21). Maar Norpois geeft het hem terug zonder er commentaar op te leveren. De markies domineert met flegma het gesprek. En dat is niet anders wanneer hij Marcel vraagt naar de indrukken die hij heeft meegebracht uit de schouwburg. Marcel kan zijn tijdens de matinee opgelopen teleurstelling niet verbergen, maar hij hoopt, door daaraan uiting te geven, van Norpois te vernemen wat hij mogelijk over het hoofd heeft gezien. Norpois wijst een paar eenvoudige zaken aan – Berma’s verstandige rolkeuze, haar stem, de eenvoud van haar kostuums – en dat is voor Marcel al voldoende om zijn gevoel van teleurstelling weg te werken. Proust wijst hier zeer nadrukkelijk naar de sociale dimensie van het esthetisch oordeel: Marcel blijkt zeer gevoelig voor het gezagsargument – het zij hem vergeven, hij is nog te jong om tot een zelfstandig oordeel te komen.

Er wordt opgediend. Françoise heeft zichzelf met haar boeuf à la gelée overtroffen en bereikt nog eens sa manière incomparable de Combray (458:24). Norpois doet de gerechten eer aan en leidt de conversatie met allerlei nogal obligate anekdotes. Met het dessert, la salade d’ananas et de truffes (459:18-19), is hij minder opgezet – maar het is dan ook een waanzinnige combinatie. In de conversatie komt hij nu op zijn pièce de résistance: zijn recente ontmoeting met koning Theodosius en diens recente speech, die, zo voegt hij er speciaal ter attentie van Marcel aan toe, grote literaire kwaliteiten had en die een toenadering tussen zijn land en Frankrijk tot gevolg had. Norpois heeft het ook over zijn vriend-diplomaat Monsieur de Vaugoubert, die opgezet lijkt met een nakende overplaatsing naar Rome. Vaugoubert heeft daarbij handig de aanvallen van de pers gepareerd, wat Norpois op de uitdrukking ‘Les chiens aboient, la caravane passe’ (461:40-41) brengt. Proust wijst in een kort terzijde op het modieuze en tijdelijke karakter van dit soort uitdrukkingen – clichématige uitdrukkingen ten andere die Norpois ook in zijn artikelen voor de Revue bezigt en die hem naar verluidt de toegang tot de Académie des Sciences morales had opgeleverd. Theodosius is verguld met de door Vaugoubert geschreven toespraak die leidde tot de toenadering en waarin het woord ‘affiniteit’ zeer raak gekozen was.

Het tafelgesprek deint heen en weer. Even gaat het nog over de vakantieplannen: Marcels moeder geeft te kennen dat ze met Marcel naar Balbec denkt te zullen afreizen omdat Marcel graag eens de Romaanse kerk aldaar zou bekijken. Norpois schat de kwaliteiten van de gotische bouwkunst hoger in.

02 mei 2013

geen verloren tijd (53)


I:438-451


Marcel herinnert zich het eerste diner dat de markies de Norpois bij hem thuis aanzat: het was in de tijd dat hij nog met Gilberte op de Champs-Elysées speelde, en hij herinnert zich de dag zeer goed want het was de dag dat hij eindelijk de actrice Berma Phèdre had zien vertolken. Marcel realiseerde zich tijdens het diner ook voor het eerst heel duidelijk combien les sentiments éveillés en moi par tout ce qui concernait Gilberte Swann et ses parents différaient de ceux que cette même famille faisait éprouver à n’importe quelle autre personne (438:40-43).

Het is op aanraden van Norpois dat Marcels vader, hoewel hij het tot dan toe altijd had geweigerd omdat hij het nutteloos vond, Marcel toestond om naar de toneelvoorstelling te gaan. En er is nog un point bien plus important (439:31-32) waarop Norpois ten gunste van Marcel ingrijpt. Marcels vader heeft Marcel altijd voorbestemd voor een carrière als diplomaat – wat Marcel niet ziet zitten omdat dan het gevaar bestaat dat hij als ambassadeur naar een hoofdstad wordt gestuurd waar Gilberte niet zou wonen. Maar de markies kan Marcels vader ervan overtuigen dat Marcel beter schrijver kan worden – ook al omdat hij niet zo hoog oploopt met diplomaten afkomstig uit de nieuwe standen: je kunt, comme écrivain, s’attirer autant de considération, exercer autant d’action et garder plus d’indépendance que dans les ambassades (440:2-5).

Marcels vader ziet meteen mogelijkheden voor zijn zoon. Hij suggereert hem een mooi stuk te schrijven, Norpois zal er dan wel voor zorgen dat het geplaatst wordt in de Revue des Deux Mondes. Maar Marcel kan natuurlijk niet maar op commando van één-twee-drie zo’n stuk schrijven. Hij troost zich met de gedachte dat hij nu spoedig Berma zal zien, en niet in een tweederangsstuk maar in het meesterwerk Phèdre. En zo hoort het ook: als je hevig verlangt om een topkunstenaar aan het werk te zien, of een meesterwerk te zien, dan moet dat in de best mogelijke omstandigheden gebeuren. Bovendien kun je de prestaties van een acteur maar echt beoordelen in een stuk dat je al kent omdat je enkel dan kunt zien wat de acteur aan het stuk toevoegt. Er komt echter nog tegenwerking: de dokter waarschuwt ervoor dat Marcel wel eens ziek zou kunnen worden van het bijwonen van het toneelstuk. Dat lijkt Marcel onzin: zelfs al werd hij er ziek van, dan nog moet hij vast en zeker naar het toneel kunnen gaan – het gaat hem er om kennis te kunnen nemen van des vérités appartenant à un monde plus réel que celui où je vivais (442:37-38), een wereld waarin zoiets onbenulligs als ziekte of fysiek ongemak van nul en generlei tel is. Daarom blijft hij aandringen bij zijn ouders. Maar wanneer hij dan uiteindelijk toch de toestemming krijgt, begint hij opnieuw te twijfelen. Zal hij zijn ouders geen verdriet doen? En zal hij, mocht hij dan toch ziek worden, zoals de dokter voorspelt, wel op tijd genezen zijn om opnieuw naar de Champs-Elysées te kunnen trekken om er Gilberte het hof te maken? De aanblik van een affiche voor de uitvoering van Phèdre met Berma doet Marcel uiteindelijk – door al zijn concreetheid – de knoop doorhakken: hij is er klaar voor.

Hélas! Cette première matinée fut une grande déception. (445:9-10) Toevallig valt de dag van de matinee samen met de dag waarop Marcels vader commissie heeft en de markies de Norpois uitnodigt om te komen eten – waardoor Françoise druk in de weer is met een bijzonder gerecht en met de inkopen daarvoor; door dit alles lijkt de gebeurtenis van Marcels matinee minder aandacht te zullen krijgen dan normaal gezien zou kunnen worden verwacht.

Alles wat aan de verschijning van Berma op het toneel voorafgaat – het wachten in het parkje voor het theater, het naar binnen gaan, het voorstuk, de pauze, de driedubbele tik die de zaal moet doen verstommen en de eerste scènes waarin Phèdre nog geen rol te spelen heeft – lijkt nog niet op een desillusie te wijzen. Maar wanneer dan uiteindelijk Berma verschijnt, ontgoochelt zij Marcel: tout mon plaisir avait cessé; j’avais beau tendre vers la Berma mes yeux, mes oreilles, mon esprit, pour ne pas laisser échapper une miette des raisons qu’elle me donnerait de l’admirer, je ne parvenais pas à en receuillir une seule (449:1-5). De gebeurtenissen op het toneel voltrekken zich voor Marcel te snel: hij zou willen stilstaan bij een gebaar of een woord, maar het is alweer voorbij. Hij vraagt zijn grootmoeder, die hem vergezelt, of hij haar toneelkijker mag gebruiken maar ook dit instrument brengt geen soelaas; het komt alleen maar als een bijkomend obstakel tussen de jonge waarnemer en de werkelijkheid te staan.

Pas wanneer de andere toehoorders applaudisseren, begint Marcel – toch een beetje conformistisch! – iets van appreciatie te gevoelen. Het komt hem voor dat het publiek op een onverklaarbare manier op het juiste moment juicht, en ook dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen zijn eigen hardnekkig applaudisseren en het nóg beter spelen van Berma: au fur et à mesure que j’applaudissais, il me semblait que la Berma avait mieux joué (450:42-43). Uiteindelijk heeft Marcel van het spektakel toch nog zo genoten, dat hij ternauwernood in staat is om cette vie de théâtre qui pendant quelques heures avait été la mienne (451:13-14) achter zich te laten – hij slaagt daar maar in doordat hij weet dat hem thuis de commentaren van de markies de Norpois wachten, de man aan wie hij de toelating om naar het theater te gaan te danken heeft.

30 april 2013

geen verloren tijd (52)


I:431-438

 

Marcels ouders vatten het plan op om de Marquis de Norpois te dineren te vragen. Moeder stelt dat het jammer is dat ze bij deze gelegenheid dokter Cottard, die op reis is, en ook Swann, die uit de gratie is gevallen, niet kunnen uitnodigen. Vader vindt het wat betreft Cottard jammer, maar is ervan overtuigd dat Swann met sa manière de crier sur les toits ses moindres relations (431:26-27) door de Marquis een ‘onbeschaamde vlegel’ zou gevonden worden en derhalve niet zou bijdragen tot het welslagen – en dat is: statusverhoging bekomen – van het geplande diner. Dat behoeft, richt de schrijver zich rechtstreeks tot de lezer, misschien wel een woordje uitleg, certaines personnes se souvenant peut-être d’un Cottard bien médiocre et d’un Swann poussant jusqu’à la plus extrême délicatesse, en matière mondaine, la modestie et la discrétion (431:30-33). We zullen dus nu eerst een korte toelichting krijgen bij de verschillende personages, achtereenvolgens Swann, Cottard en Norpois.

Ten eerste Swann. Zijn persoon valt in twee delen uiteen: de jonge en onbesproken Swann, die vaak bij de ouders van Marcel op bezoek kwam, en de oudere Swann, die uit de gratie is gevallen door zijn statusverlagende huwelijk met de cocotte Odette, van wie hij een dochter heeft, Gilberte, op wie Marcel smoor is. Men kan zich afvragen wat de verfijning van de vroegere Swann dan kan hebben ingehouden. Is het iets dat eigen is aan zijn ras – Swann is een jood –: une forme plus raffinée de la vanité (432:19), het vermogen om een ware aard van ‘het naïefste snobisme en van de grofste lompheid’ te verbloemen in la plus fine politesse (432:23-24)? Neen, zo gaat het niet. De deugden, die een persoon in zich heeft, ‘vergeten’ soms te veranderen in functie van de gewijzigde omstandigheden. Swann heeft zijn kwaliteiten behouden, maar in de lagere status waarin hij is terechtgekomen doen ze lomp en misplaatst aan. De transformatie van de jonge, gloriërende, naar de oudere, gevallen, Swann heeft zich overigens al voorgedaan op het ogenblik dat de jonge Marcel op de Champs-Elysées naar de gunsten dong van Swanns dochter Gilberte – en de verandering was toen onopgemerkt gebleven bij de jonge Marcel. Misschien was hij toen te jong om dergelijke subtiele maatschappelijke veranderingen te lezen, maar bovendien is er altijd ook de neiging om blind te zijn voor veranderingen: l’idée qu’on s’est faite longtemps d’une personne bouche les yeux et les oreilles (433:11-12); we zien met andere woorden wat we weten.

Met betrekking tot Cottard stelt de schrijver dat we ons hem wellicht zouden herinneren als bien médiocre (431:31). Het is goed eens te kijken waar precies we, in het vorige deel, kennisgemaakt hebben met de dokter. Proust helpt ons: l’époque où l’on a vu assister aux débuts de Swann chez les Verdurin (433:21-22). Het gaat om de passage helemaal in het begin van Un Amour de Swann, hier geparafraseerd in geen verloren tijd 27.

Waar Swann zijn eer is kwijtgespeeld, heeft zich bij Cottard de omgekeerde beweging voorgedaan: voor hem geldt: les honneurs, les titres offficiels viennent avec les années (433:23-24). Aanvankelijk werd hij aangezien als een illettré (433:25) die zich bezondigt aan flauwe woordspelinkjes, nu erkent iedereen zijn capaciteiten als dokter. Deze late erkenning heeft zijn uitwerking niet gemist op Cottards karakter: dat is helemaal gedraaid, un véritable vêtement retourné (434:7-8). In plaats van onzeker is hij nu hautain en koel, eropuit zelfs de dire des choses désagréables (434:16).

De Marquis de Norpois ten slotte is een reactionaire diplomaat en politicus. Hoewel het politieke tij gekeerd is, wordt hij toch nog door de meer vooruitstrevende ministers aangesteld dès qu’il s’agissait des intérêts supérieurs de la France (434:40-41). Van zijn loyaliteit kunnen zij zich verzekerd weten. M. de Norpois beschikt over een diplomatieke ervaring die langdurig genoeg is geweest om geheel doordrongen te zijn van een esprit négatif, routinier, conservateur, dit ‘esprit de gouvernement’ (435:35-36). Wij zouden hem, in onze tijd, een realpoliticus noemen. En zo zien we dat, over de statusverschillen heen, niet la communauté des opinions maar de consanguinité des esprits (436:1-2) de mensen samenbrengt: niet de overeenstemming in de meningen maar de gelijke geaardheid van de geesten.

Norpois heeft geleerd dat het beter is te zwijgen, of toch zeker om weinig woorden te gebruiken – op basis daarvan geniet hij in de commissie, waarin hij samen met Marcels vader zetelt, de reputatie koel en berekenend te zijn. Marcels vader verwondert zich dan ook over de gevoelens van vriendschap die Norpois hem gunt. Hij is zich ervan bewust dat Norpois hem misschien vooral vriendschappelijk bejegent omwille van zijn vrolijke karakter dan omwille van zijn qualités intellectuelles of zijn sensibilité, die toch vaak vooral als lastig en veeleisend worden ervaren.

Marcels moeder is niet zo geporteerd voor de intelligentie van de markies. Zijn taalgebruik is in elk geval op het clichématige af oubollig – zo oubollig dat Proust betreurt er niet zorgvuldiger notitie van te hebben genomen, zodat hij ons nu er enkele voorbeelden van zou hebben kunnen geven. Maar Marcels moeder verbergt haar antipathie voor de markies voor haar echtgenoot omdat ze diens vreugde om de vriendschap met de diplomaat niet wil bederven. Daarmee doet zij niet anders dan haar plicht, op dezelfde manier als dat zij ervoor moet zorgen que la cuisine fût soignée et le service silencieux (437:34-35). Zij doet zelfs haar best de markies toch sympathiek te vinden, al was het maar om ten aanzien van haar man niet leugenachtig te moeten zijn! Dat kost haar al bij al niet al te veel moeite want ze bewondert toch wel Norpois’ stijlvolle voorkomendheid, die hem, wanneer hij op straat Marcels moeder tegenkomt, ertoe brengt om, avant de lui envoyer un coup de chapeau, zijn cigare à peine commencé (437:41-43) weg te gooien, alsook zijn stiptheid, die hem brieven zo snel doet beantwoorden dat de geadresseerde de indruk krijgt dat hun beider brieven elkaar gekruist hebben, en die hem geen enkele uitnodiging doet afslaan, al komt deze van iemand die op de maatschappelijke ladder toch een paar sporten lager staat.

26 april 2013

geen verloren tijd (51)


I:421-427

Wanneer Marcel nu – en de vraag is wanneer dit ‘nu’ is, cette année (421:43)? – een wandeling maakt in het Bois de Boulogne, openbaart zich de complexe structuur van dat bos weer aan hem. Hij kon er niet aan weerstaan om die wandeling te maken, gelokt als hij is door het zonlicht dat op de herfstkleuren van ce mois de novembre (422:2) speelt: november, ce mois de mai des feuilles (442:38), ’t is t zeggen de maand waarin de bladeren bloeien. Dit bos, met zijn hele – op deze bladzijden zeer omstandig beschreven – kleurenpracht, doet Proust terugverlangen naar een aan vrouwelijkheid, of aan de herinnering van vrouwelijk schoon, verbonden idée de perfection (424:40). Maar – Helas! (425:8) – de koetsen waren vervangen door automobielen: il n’y avait plus que des automobiles (425:9)! En de dames dragen niet meer dezelfde kleren als indertijd Mme Swann… En – horreur! – de mannen dragen geen hoge zijden meer, ze dragen zelfs geen hoeden meer, stel je voor! Ils sortaient nu-tête. (425:24) Het schouwspel dat het Bois de Boulogne nu te bieden heeft, is wanordelijk, beroofd van de beauté que mes yeux eussent pu essayer comme autrefois de composer (425:28-29). (De zin is belangrijk: schoonheid is in the eyes of the beholder, niet in de dingen zelf!) Voortaan moet Marcel het doen met un attachement fétichiste (425:35) aan de dingen van weleer, die hij ooit op eigen kracht heeft weten te bezielen. Nu zijn de Goden dood (het staat er nogal enigmatisch, apodictisch en lapidair): wij zijn het goddelijke vermogen om de dingen te bezielen kwijt.

Quelle horreur! (425:39), zucht Marcel, en hij realiseert zich dat hij misschien te oud is geworden. Hoe zich te troosten aujourd’hui qu’il ny a plus d’élégance (426:5-6)? Ma consolation, c’est de penser aux femmes que j’ai connues (426:5). Een hele wereld is verloren gegaan. Niet alleen die van de kleren en de calèches, maar ook de woningen waar de cocottes ontvangen: die hebben niet meer die atmosfeer van vroeger, neen, il n’y avait plus que des appartements Louis XVI tout blancs, émaillés d’hortensias bleus (426:43-427:2). De tijd van Mme Swann in haar volle glorie is voorbij; ’t is nu niet meer dan une année lointaine, (…) un millésime vers lequel il ne m’était pas permis de remonter (427:7-8). Het verlangen om daarnaar terug te keren is al even onvervulbaar als het genot dat de kleine Marcel destijds had nagejaagd. Marcel – de ouder geworden, en van zijn goddelijke vermogens om schoonheid in de dingen te leggen beroofde Marcel! – beseft nu dat het paradoxaal is de chercher dans la réalité (het huidige Bois de Boulogne) les tableaux de la mémoire, auxquels manquerait toujours le charme qui leur vient de la mémoire même (427:31-34). Datgene wat het verleden zo aanlokkelijk maakt, heeft alles te maken met de herinnering en situeert zich dus in het… heden! Wat toch wel een troostende vaststelling is. De conclusie is simpel en evident: La réalité que j’avais connue n’existait plus. (427:34-35) Elke nostalgie is dus vruchteloos en onvruchtbaar. Maar de herinnering maakt veel goed, meerbepaald: het speciale plezier dat de herinnering kan verschaffen.

 

geen verloren tijd (50)


I:413-421

Marcel koestert een plattegrond van Parijs, enkel en alleen omdat daarop de straat is terug te vinden waar M. en Mme Swann wonen. Hij spreekt graag de naam van hun straat uit – zoals hij het er ook op aanlegt om de naam ‘Swann’ zoveel mogelijk te laten vallen en ook anderen in de mond te leggen. Die naam lijkt hem, ainsi qu’il arrive à certains aphasiques à l’égard des mots les plus usuels (413:22-23), nieuw te zijn, en vreemd. Marcel ziet en hoort de naam in zijn brute materialiteit. (Het fenomeen is bekend: als je een woord, of een naam, voortdurend herhaalt en je hyperbewust bent van de letters en klanken waarin het uiteenvalt, komt het in zijn loutere materialiteit voor je te staan en raakt het ook los van zijn betekenis. Nabokov beschrijft het fenomeen in het verhaal ‘Verschrikking’, in Het vernietigen van tirannen: ‘zoals er alleen een absurd geluid overblijft als je vaak genoeg achtereen het meest alledaagse woord herhaalt zonder te denken aan de betekenis: huis, huisss, huiwzz’).

Marcel voelt zich zondig vanwege het genot dat het horen van de naam ‘Swann’ hem verschaft. Maar hij kan het niet laten alles wat verband houdt met Gilberte steeds opnieuw ter sprake te brengen. Ook de oude vrouw die op de Champs Elysées de Débats leest. Dat blijkt Mme Blatin te zijn, Marcels moeder loopt helemaal niet hoog met haar op: Mme Blatin is van lage komaf en probeert bij iedereen op een goed blaadje te staan. Ze heeft ooit eens tot Marcels moeder gezegd dat Marcel ‘trop beau pour un garçon’ is (414:15-16). Niet bepaald een gunstige insteek voor het verwerven van een ‘gezonde’ seksuele identiteit.

Marcel herhaalt niet alleen voortdurend Swanns naam, hij probeert ook op de fat te gelijken. Hij neemt zijn tics over en betreurt het niet even kaal te zijn als Swann. Wanneer midden in een saai tafelgesprek de naam ‘Swann’ valt, fleurt Marcel meteen op. Zijn zijn ouders dan niet gebrouilleerd met Swann, die omwille van zijn extravagante relatie met Mme Swann niet meer in Combray wordt uitgenodigd? Marcels moeder ontwijkt de vraag: ze kunnen toch niet iedereen uitnodigen? Zij ontmoet Swann soms in Parijs en vertelt Marcel dat Swann naar Marcel heeft geïnformeerd. Het feit dat hij blijkbaar in de geest van Swann een plaats heeft, windt Marcel danig op. Het verwondert hem dan ook dat zijn ouders niet bepaald veel belang schijnen te hechten aan Swann. Voor hen is Swann een van de velen en vertegenwoordigt hij rien d’unique (416:16). Zij kunnen niet zien wat Marcel in Swann ziet, aangezien ze niet voorzien zijn van ce sens supplémentaire et momentané dont m’avait doté l’amour (416:28-29).

Op de dagen dat Gilberte niet naar de Champs-Elysées komt, probeert Marcel op zijn wandelingen met Françoise het huis van de Swanns zo dicht mogelijk te naderen. Alles wat maar enigszins naar Gilberte verwijst, bezet hij du même charme douloureux que j’avais ressenti dans le nom de Gilberte (417:7). Zo hoopt hij ook Mme Swann te kunnen aanschouwen op een van haar ritjes door het Bois de Boulogne. Aan de manier waarop zij zich kleedt en voortbeweegt en gedraagt, is het voor iedereen duidelijk dat zij een belangrijke dame is. Menig man herinnert zich een onstuimige nacht met haar te hebben doorgebracht: Je me rappelle que j’ai couché avec elle le jour de la démission de Mac-Mahon, herinnert er zich een van de mannen die haar nu door het Bois ziet flaneren (420:43-421:1). Maar tegelijk wordt toch ook haar rekening gemaakt: elle ne doit plus être de la première jeunesse (420:42-43). Marcel beseft dat het nog wel een tijdje zal duren vooraleer hij haar met dezelfde status zal kunnen groeten als deze mannen. Hij neemt zijn hoed af met een brede zwaai en ziet hoe Mme Swann, die steevast in het gezelschap verkeert van quelque ami, souvent coiffé d’un ‘tube’ gris (‘een grijze hoge zijden’; 421:36-37), glimlacht om dat jongetje, dat ze niet kent.

23 april 2013

geen verloren tijd (49)


I:393-413

Marcel is ook te ziek om naar de schouwburg te mogen. Er zit hoogstens een wandeling in naar de Champs-Elysées, aan de hand van Françoise. Mocht Bergotte nu eens die laan hebben beschreven in een van zijn boeken, dan zou Marcel de vooraf ingebeelde werkelijkheid kunnen toetsen aan de echte werkelijkheid, en dan zou een wandeling naar de Champs-Elysées nog interessant zijn. Maar niet dus. De Champs-Elysées blijken saai! Tot hij een tennissend meisje de naam ‘Gilberte’ hoort roepen naar haar vriendin – wat op slag bij Marcel een hele vervlogen en onbereikbare wereld van herinneringen aan en verlangens naar Mlle Swann oproept. Vanaf nu blijft Marcel telkens in de buurt van die meisjes dralen – totdat hij mag meespelen. Gilberte is er evenwel niet altijd bij. Bijvoorbeeld wanneer het weer niet goed genoeg is, wat Marcel elke ochtend bij het raam de meteorologische situatie doet inschatten. In het spel van de schaduwen van het smeedwerk op de steen van de vensterbank onderkent hij de promesse du bonheur immédiat que la journée refuse ou accomplira, et par là du bonheur immédiat par excellence, le bonheur de l’amour (397:11-13).

In het park is er, ook ’s winters, altijd een oude, aristocratische dame die Marcel doet vermoeden dat hij, indien hij haar zou kennen, via haar beter toegang tot Gilberte zou krijgen. De oude dame leest de Débats, een conservatieve krant. Wel een vreemde situatie, gezien de barre weersomstandigheden: Françoise en Marcel gaan kijken naar de dichtgevroren Seine, en de sneeuw doet de oude dame denken à de l’hermine (398:40). Wanneer Marcel  het niet meer verwacht, komt Gilberte dan toch nog aangestoven – of beter: aangegleden. Zo wordt een dag, waarvan Marcel al dacht dat hij op een mislukking was uitgedraaid, alsnog gered – en het is alsof deze plotse ommekeer, te midden van ‘de ijzigheid, de verlatenheid en de neergang van de omringende dingen’, de intimiteit van hun vriendschap nog versterkt. Wat dan weer Marcels vertrouwen verstevigt: je prenais plus de confiance en la vitalité et en l’avenir de notre amitié (399:14-15). Keerzijde van de medaille is dat Marcels verlangen naar deze ontmoetingen zo hevig is, dat hij er niet van kan genieten als ze dan toch plaatsvinden: ces moments où j’étais auprès d’elle (…) n’étaient nullement des moment heureux (400:1-5). Hij is dus niet gelukkig als hij bij haar is, en al evenmin als hij niet bij haar is want dan verhindert zijn smachten dat hij iemand anders graag kan zien: on n’aime plus personne quand on aime (399:43-400:1). En bovendien verlangt hij zo hard naar een beleving van deze liefde, terwijl deze niet is uitgesproken, dat hij begint te twijfelen aan de echtheid en oprechtheid van zijn gevoelens. Deze onzekerheid wordt nog versterkt door de gewaarwording dat de ervaring van de reële Gilberte niet strookt met de herinnering aan de gedroomde Gilberte. Deze beide instantiaties van Gilberte krijgen een aparte individualiteit, ja hun onderlinge verschillen zijn zo groot dat ze wel twee individuen lijken die elk tot een aparte soort behoren! Marcel slaagt er niet in beide instantiaties van Gilberte te doen samenvallen en al evenmin weet hij vorderingen te maken met zijn wens om nader tot haar te komen; hij keert telkens onverrichterzake huiswaarts en moet zijn voornemen de lui dire les paroles qui pouvaient faire faire à notre amour les progrès décisifs (402:18-20) uitstellen tot de volgende namiddag, wanneer hij – misschien – zijn eerstvolgende kans zal krijgen om haar te ontmoeten.

Gelukkig is het zo dat vooraleer Marcel zich laat terneerslaan door deze ontnuchterende vaststellingen, hij zich meestal verliest in het concrete spel of in oppervlakkige opmerkingen of in een vluchtige bekoring (knikkers in een kraam).

Toch worden er vorderingen gemaakt. Bijvoorbeeld door middel van een boekje van Bergotte over Racine, dat Marcel haar door middel van een telegram had gevraagd voor hem mee te brengen. En op een dag stelt zij hem voor elkaar te tutoyeren.

Jammer genoeg, beseft Marcel nu, was het zo dat hij moest vaststellen: au moment même, je ne pouvais apprécier la valeur de ces plaisirs nouveaux (404:13-14). Marcel maakt zichzelf tot slachtoffer van zijn eigen overdreven geprakkezeer: zolang de liefde niet is uitgesproken, wordt het mogelijke genot van ‘de kleine gunsten’ (boek, tutoyeren…) ondergeschikt gemaakt aan het vooruitzicht van de nog moeizame, lange weg naar le bonheur que je n’avais pas encore rencontré (404:31).

Het geluk is in elk geval niet volkomen want soms doet Gilberte alsof het haar helemaal geen plezier doet Marcel te zien. Dat zijn de gelegenheden waarbij Marcel  een glimp opvangt van le mystère de sa vie inconnue (406:29-30). Die vervreemding – de ontoegankelijkheid van Gilbertes bestaan – wordt voor Marcel het duidelijkst wanneer hij ziet hoe zij wordt opgehaald door haar vader, M. Swann, die Marcel goed kent van diens bezoekjes aan zijn grootouders in Combray – zonder dat Swann evenwel bij die gelegenheden Marcels speciale belangstelling had weten op te wekken. Nu echter, door de amoureuze bezetting van Gilberte (comme rien n’avait plus pour moi de prix que dans la mesure où mon amour pouvait en profiter (407:40-42)), ervaart Swann un inconnu inaccessible, un charme douloureux (407:4-5). In  Marcels beleving is Swann, de vader van Gilberte, een andere dan Swann, de vriend van zijn grootouders – maar Marcel beseft toch pijnlijk duidelijk dat er wel degelijk een verband tussen die twee moet bestaan, zeker ook in de herinnering van Swann zelf, waardoor hij, Marcel, nu als liefdeskandidaat van Gilberte, in de ogen van Swann (de vader) besmeurd wordt door de identificatie met het kind dat zich indertijd in de ogen van Swann (de huisvriend) belachelijk maakte door van zijn moeder te eisen dat ze hem nog een nachtkus zou komen geven – waardoor hij, de jongere Marcel, het gezellig samenzijn van zijn ouders met de grootouders en de huisvriend Swann verstoorde.

Zonder te beseffen wat ze aanricht, laat Gilberte Marcel weten dat ze de eerstvolgende dagen, en tot na Nieuwjaar, niet naar de Champs-Elysées zal komen. Dat komt hard aan bij Marcel, maar zijn liefde vermindert er niet door. Elke avond opnieuw hoopt hij een brief van Gilberte te ontvangen. Hij verzint hoe die brief er zou kunnen uitzien – maar wanneer hij beseft dat de brief die hij mogelijk zou kunnen ontvangen onmogelijk dezelfde kan zijn als deze die hij verzon, en dat dit zelfs niet wenselijk zou zijn aangezien dat afbreuk zou doen aan de echtheid van haar liefde, begint hij het door Gilberte aan hem overhandigde boek van Bergotte over Racine te lezen. Marcel beseft dat hij van Bergotte houdt à cause de Gilberte (410:29). Met precies hetzelfde gevoel bezet hij de envelop waarin zij het boek heeft verpakt en de knikker die hij van haar heeft gekregen. Maar hij beseft dat zowel de knikker als de tekst van Bergotte ouder zijn dan zijn liefde, dat ze niet anders zouden zijn geweest dan ze nu zijn wanneer Gilberte niet van hem zou houden, dat ze dus onafhankelijk bestaan van die liefde (ondanks de belangstelling waarmee hij ze, door die liefde, bezet) en dat, bijgevolg, rien (…) m’autorisait à lire en eux un message de bonheur (411:6). Dit soort kleine ontnuchteringen zijn als de losliggende draden waarmee dans l’ombre de moi-même une ouvrière inconnue (411:9-10) een patroon weeft dat niet overeenstemt met de wens maar met de werkelijkheid. En die is bitter: Gilberte houdt helemaal niet van Marcel, ja, zij heeft zelfs helemaal geen belangstelling, laat staan bijzondere belangstelling, voor hem. Eindelijk ziet Marcel onder ogen que le sentiment de Gilberte pour moi, trop ancien déjà pour pouvoir changer, c’était l’indifférence (412:32-34). Op basis van dit inzicht vraagt Marcel aan Gilberte de vriendschap die hen bindt te herdefiniëren: de jeter les bases d’une nouvelle amitié (413:1).

geen verloren tijd


*