een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

16 februari 2018

geen verloren tijd (122)


II:99-109


In de eetzaal aangekomen, vraagt Marcel aan Saint-Loup of de foto op diens kamer wel degelijk een beeltenis is van Mme de Guermantes. Dat is het geval. Marcel vat de koe bij de horens en vraagt Saint-Loup of hij hem, Marcel, bij de gravin zou willen aanbevelen. Saint-Loup hecht daar kennelijk niet al te veel belang aan – quelle importance cela peut-il avoir (101:23-24) – en stemt toe. Marcel verstout zich en vraagt of Saint-Loup voor hem een afspraak wil regelen met de gravin – ce n’est rien (102:15). Dan gaat Marcel nog een stap verder: of hij die foto mag hebben. Dát is een brug te ver: Non, il faudrait que je lui demande la permission d’abord, me répondit-il (103:17-18) – en Marcel ziet hoe zijn vriend rood wordt. Dat stemt hem ongemakkelijk want hij beseft maar al te goed dat hij Saint-Loup instrumentaliseert: l’utilité dont on pouvait être pour moi à l’égard de l’unique chose qui me semblât importante, mon amour (102:26-28).

Het gezelschap in de eetzaal bestaat vooral uit aristocratische vrienden van Saint-Loup, maar ook uit enkele lieden van lagere komaf, bourgeois dus, waarmee het bewijs wordt geleverd dat de aristocraten n’étaient pas, en principe, hostiles aux bourgeois, fussent-ils républicains, pourvu qu’ils eussent les mains propres et allassent à la messe (100:2-3). Ze mogen bourgeois en republikeins zijn, als ze maar propere handen hebben en hun zondagsplicht vervullen.

In de conversatie met deze vrienden merkt Marcel dat Saint-Loup veel belang hecht aan hoe zij op zijn vriend reageren: het komt Marcel voor dat Saint-Loup meer sympathie voor hem heeft in aanwezigheid van zijn vrienden dan onder vier ogen. Hij neemt dit waar als een die zichzelf van buitenaf ziet, comme quelqu’un qui lit son nom dans le journal ou qui se voit dans une glace (104:4-5). Marcel ondervraagt dan ook zichzelf over de ware aard van zijn vriendschapsgevoelens voor Saint-Loup. Is het een van die sympathies entre hommes qui, lorsqu’elles n’ont pas d’attrait physique à leur base, sont les seules qui soient tout à fait mystérieuses (104:30-32)? Een dergelijke sympathie voelt Marcel ook ten aanzien van een van Saint-Loups vrienden, met wie hij een van de avonden die hij in die eetzaal doorbrengt een lang gesprek voert over de Dreyfus-affaire. De meeste vrienden van Saint-Loup zijn anti-dreyfusards. Saint-Loup zelf neemt het op voor Dreyfus. Allerlei motieven blijken daarbij te spelen: monarchisme, republikeinsgezindheid, militarisme, klerikalisme en natuurlijk antisemitisme – en het is niet altijd even gemakkelijk om in dat kluwen je weg te vinden. De standpunten wisselen namelijk nogal eens. (Om te begrijpen wat Proust hier allemaal schrijft zijn bij de lezer de wisselvalligheden van de hele affaire verondersteld gekend. Het lemma ‘Dreyfyus (affaire)’ in de Dictionnaire Marcel Proust van Annick Bouillaguet & Brian G. Rogers leert mij in elk geval dat het er Proust, die zelf dreyfusard was, vooral om te doen was de opportunistische en hypocriete inconsequentigheden van zijn personages weer te geven: hoe zij bereid waren om hun mening bij te stellen in functie van wat er aan het licht kwam en van de maatschappelijke baten die zij daarbij konden opstrijken.)

Marcel trekt uit deze discussies de conclusie dat, aangezien er veel minder denkbeelden zijn dan mensen, er groepen ontstaan waarin soms mensen van uiteenlopend pluimage verenigd zijn, bien étonnés de se retrouver ensemble: denkbeelden bepalen in sterkere mate de aanhorigheid dan het milieu waaruit men voortkomt.

Het gespreksonderwerp verlegt zich naar een zekere majoor Duroc, ook een dreyfusard, wat, aldus Saint-Loup, niet hoeft te verbazen aangezien deze Duroc un homme intelligent (109:5-6) is, radical-socialiste et franc-maçon (109:12) bovendien. Marcel, die het weinig comfortabel vindt dat Saint-Loup over de affaire zo van mening verschilt met zijn vrienden, weet te ontsnappen door van onderwerp te veranderen en te vragen of het klopt dat Duroc oog heeft voor de véritable beauté esthétique (109:17-18) van de krijgsgeschiedenis. Het lange gesprek waartoe deze vraag aanleiding geeft, wordt behandeld in aflevering 123 van dit lectuurverslag. Na zijn weergave van dat gesprek komt Proust nog eens terug op het omzeilde heikele onderwerp: on évitait de parler de Dreyfus de peur de froisser Saint-Loup (118:33-34). Diens dreyfusardisme is inderdaad heikel want als de militair die hij is riskeert hij antimilitarisme te worden aangewreven. Maar Saint-Loup herhaalt enkele dagen nadat Marcel een zekere polarisatie rond het onderwerp heeft vastgesteld dat de ideeën belangrijker zijn dan het milieu: Tous les hommes d’une même idée sont pareils (119:20) – en hij doet dat, enigszins tot Marcels ergernis, zonder te beseffen dat hij daarmee ongeveer letterlijk Marcels opinie overneemt en zonder hem de credits ervoor te gunnen.

28 januari 2018

geen verloren tijd (121)


II:88-99

Marcel woont graag de militaire exercities bij waaraan Saint-Loup moet deelnemen, ook al moet hij daarvoor een eind de deur uit: Pour arriver au terrain de manoeuvres, il me fallait faire de grandes marches. (91:9-10) Dat put hem uit, wat zorgt voor een diepe slaap, waaruit het dan weer moeilijk ontwaken is. In een halfwakende toestand overvallen hem de zorgen waarmee hij de avond voordien was ingeslapen. Dan trommelt hij Saint-Loup op, die niet lang op zich laat wachten om hem te troosten.

Dit gegeven van diep slapen en moeizaam ontwaken doet Marcel terugdenken aux bonnes fatigues de mon enfance à Combray (91:22). Waarop Proust nog maar eens uitweidt over de mémoire involontaire: om terug te keren naar de kindertijd, moet je niet de plekken gaan bezoeken – Ce sont là pèlerinages fort hasardeux (91:27-28) waarbij je vaak van een kale reis terugkomt. Beter is het in het innerlijk af te dalen, en dat kan dus blijkbaar het best op die momenten van halfslaap/halfwaken. Naar de (herinnering aan de) kindertijd moet je niet reizen, je moet erin afdalen. En dat is geen bewuste onderneming, maar iets wat te maken heeft met certaines impressions fugitives et fortuites (92:2): vluchtige en toevallige indrukken die ramènent bien mieux encore vers le passé, plus immatériel, plus vertigineux, plus infaillible, plus immortel (92:3-5).

Uit zijn contacten met de militairen maakt Marcel op hoe populair en geliefd Saint-Loup bij zijn collega’s is. Die militairen zijn ofwel jeunes bourgeois riches qui ne voyaient la haute société aristocratique que du dehors et sans y pénétrer (92:37-39), jonge rijkeluiszoontjes die dus wel toegang hebben tot de privileges van de aristocratie, maar die niet artistocratisch zijn en dus als snobs kunnen worden bestempeld: zij hebben niet die libre et négligente élégance de Saint-Loup qui plaisait tant à ma grand’mère (93:22-23). Ofwel zijn het anciens (‘beroepssoldaten’), hommes du peuple (93:41), die Saint-Loup gewoon sympathiek vinden en hem zijn wufte excentriciteiten niet kwalijk nemen.

Na zijn grandes marches keert Marcel verkwikt terug naar zijn kamer, waar hij zich overlevert aan het geschreven woord. Ofwel schrijft hij zelf, daarop wijzen de aanwezigheid van een inktpop en een riem papier, ofwel leest hij in un roman de Bergotte (96:2-3).

Om zeven uur begeeft Marcel zich dwars door de stad (want Saint-Loup woont aan de andere kant) naar het souper. Onderweg, zo stelt hij vast, zijn de indrukken die hij opdoet zo krachtig dat hij warempel vergeet waarvoor hij initieel naar deze garnizoenstad is gekomen: ce n’était que pour tâcher d’être rapproché d’elle [= Mme de Guermantes] que j’étais venu dans la garnison de Robert (96:24-25). Er ontstaat in zijn verbeelding een afstand tussen hem en haar: essayer d’oublier Mme de Guermantes me semblait affreux, mais raisonnable et, pour la première fois, possible, facile peut-être (97:35-37).

Marcel voelt zich op zijn wandeling door de smalle middeleeuwse straatjes blootgesteld aan de verlokkingen van in de schemering ruisende rokken. En hij observeert de bewoners van de huizen waar hij voorbijkomt, gevat in het rembrandteske clair-obscur van hun kaarsverlichte ramen. Dit clair-obscur – het contrast tussen wit en zwart, onverlichte straten en vrieskou (un vent glacial qui semblait annoncer la neige (96:21-22)) – ‘kleurt’ deze passage en geeft ons een idee van wat het is om door een donkere stad te lopen. De ijzige wind schildert op de aangezichten van de mensen op straat een rode toets, zoals op de schilderijen van Breughel. En die Vlaamse sfeer trekt Proust dan weer door naar de gelagzaal waar hij Marcel laat aankomen: de keuken is een ‘roodgloeiende’ plek, où tournaient des poulets embrochés, où grillaient des porcs, où des homards encore vivants étaient jetés dans ce que l’hôtelier appelait le « feu éternel » (98:22-25). De lezer wordt mee naar binnen getrokken, weg uit de ijzige schemering, in een warme en omhullende ruimte.

19 november 2017

geen verloren tijd (120)


II:78-88

Marcel voelt zich in die mate goed in de kazerne dat hij er wel zou willen blijven: protégé par cette atmosphère de tranquillité, de vigilance et de gaîté qu’entretenaient mille volontés réglées et sans inquiétude, mille esprits insouciants, dans cette grande communauté qu’est une caserne (78:11-15). Hier moet je inderdaad niet nadenken en regelen regels en regelmaat de tijd. Jammer dat je er als niet-militair niet mag verblijven. Saint-Loup denkt daar anders over: hij heeft voor Marcel een uitzondering bedongen en hij laat Marcel dat op een plagerige en niet ondubbelzinnige toon weten: Ah ! vous aimeriez mieux coucher ici près de moi que de partir seul à l’hôtel (72:23-24).

Marcel laat zijn gedachten gaan over een foto van Mme de Guermantes, Saint-Loups tante. De dubbelzinnigheid wordt nog aangehouden want de gedachte dat Saint-Loup hem die foto zou kunnen schenken, doet Marcel souhaiter de lui rendre mille services qui me semblaient peu de choses en échange d’elle (79:38-39). Op de foto is de duchesse in minder verhulde gedaante te zien dan in deze waarin zij zich in levenden lijve aan Marcel vertoont. De foto, waarop allerlei rondingen goed navolgbaar zijn, lijkt hem dan ook un traité de la seule géométrie qui eût de la valeur pour moi (80:10-11). Dat Marcel oog heeft voor de fysieke gelijkenissen tussen Saint-Loup en diens tante benadrukt andermaal de dubbelzinnigheid van de gevoelens ten aanzien van zijn militaire gastheer.
Over de nacht die volgt op het avondmaal met champagne en jonge patrijzen vernemen wij niets. In een volgende scène zien we hoe Marcel aan het ontbijt de smaak van chocolademelk synesthetisch laat opgaan in de aanblik van een in mist gehulde heuvel naast de kazerne.

De volgende nacht moet Marcel wél op hotel. Hij krijgt er niet de kans om zich in verdriet te verliezen, geboeid als hij is door de wervelend-complexe architectuur van het achttiende-eeuwse paleis waarin het gevestigd is, met zijn dubbele deuren, beschilderde plafonds, brokkelende trappen, schijnbaar nergens heen leidende gangen en draperieën die een stilte binnenbrachten sur lequel je me sentis comme une sorte d’enivrante royauté (83:28-29). We lezen het goed: de draperieën laten een stilte over Marcel nederdalen waarover hij ‘een soort van opwindende soevereiniteit voelde’ (Cornips).

In een ander dan het vertrouwde bed slaapt Marcel ook anders – en dat vormt voor onze Verteller de aanleiding tot een over meerdere bladzijden uitgesmeerde beschouwing over de slaap, inderdaad een curieus en wakker-houdend fenomeen, als je er goed over nadenkt. De labyrinten der dromen vertonen, overigens, wel een gelijkenis met het pas beschreven doolhofachtige hotelpaleis – dat zal wel geen toeval zijn. En ja, het staat er ook min of meer letterlijk: Il en est du sommeil comme de la perception du monde extérieur (85:6-7).

Proust legt in deze uitweiding een speciale belangstelling aan de dag voor de schemerzones waarin het slapen en het waken in elkaar overgaan: Marcel wordt halfwakker van de voor zijn raam passerende militaire blaaskapel maar weet wat later niet meer of hij die nu effectief heeft horen passeren dan wel of hij ervan heeft gedroomd. Proust verwondert zich ook over de continuïteit van de identiteit: hoe verschillend we tijdens onze slaap ook mogen geweest zijn van wie we in wakende toestand zijn (we hebben geen bewustzijn, we dromen dingen waarvan we wakend nooit zouden kúnnen of durven te dromen…), we ontwaken ’s anderendaags toch altijd weer als dezelfde persoon die we gisteren bij het inslapen waren. Wanneer wij uit een zogenaamd ‘loden slaap’ ontwaken (un sommeil de plomb (88:10)) en wij een moment niet meer weten wij we waren of zijn, ervaren we dit het sterkst.

Er is geen verklaring voor die continuïteit – Proust maakt hier de vergelijking met het woord dat we verloren waanden en dat ons dan toch weer te binnen schiet: La réssurection au réveil – après ce bienfaisant accès d’aliénation mentale qu’est le sommeil – doit ressembler au fond à ce qui se passe quand on retrouve un nom, un vers, un refrain oubliés. (88:30-33) En Proust voegt er dan nog een interessante gedachte aan toe, die een licht werpt op hoe hij zijn hele onderneming van de Recherche ziet, namelijk als een gooi naar de onsterfelijkheid: peut-être la résurrection de l’âme après la mort est-elle concevable comme un phénomène de mémoire (88:33-35). De Recherche draait rond memorie, en onsterfelijkheid heeft te maken met – postuum – gememoreerd worden.

02 oktober 2017

geen verloren tijd (119)


II:67-78

J’aimais vraiment Mme de Guermantes (67:42). Marcel heeft het zwaar zitten. Omdat hij door een onoverkomelijke sociale kloof van zijn liefdesobject gescheiden is, beseft hij dat le plus grand bonheur que j’eusse pu demander à Dieu (67:42-43) niets minder is dan dat zij door alle mogelijke rampspoed van haar sociale status zou worden beroofd, en dat elle vînt me demander asile (68:4). Dat zal natuurlijk nooit gebeuren. Al het gefantaseer daarover is niet meer dan un discours et une gesticulation inutiles, tout un roman purement d’aventures, stérile et sans vérité (68:14-16). Dat is op zich al erg, maar erger nog is het dat deze mijmeringen Marcel van het échte werk afhouden: déchiffrer en moi-même des pensées qui d’habitude m’échappaient (68:10-11), gedachten die overigens vooral met impressions d’autrefois (68:8) te maken hebben. (Enkele bladzijden verderop wordt aan deze taak ook door Saint-Loup gerefereerd: « Et le travail, vous y êtes-vous mis ? Non ? que vous êtes drôle ! Si j’avais vos dispositions [talent], je crois que j’écrirais du matin au soir. (73:19-21)

Net zoals Henry Beyle, ook gekend als Stendhal, al het mogelijke doet om zijn Métilde te zien te krijgen, zoals W.G. Sebald memoreert in het eerste hoofdstuk van Melancholische dwaalwegen, maar niet schijnt te beseffen dat zij dat niet prettig vindt, en dan ook raar opkijkt wanneer zij met een briefje ‘een tamelijk abrupt einde’ maakte ‘aan zijn hoop, haar minnaar te worden’ (22), zo probeert ook Marcel zo vaak mogelijk Mme de Guermantes te zien. Maar hij beseft tenminste nog dat hem dat zuur zou kunnen opbreken: Je sentais que je lui déplaisais (68:29). Hij beseft dat de enige mogelijkheid om weerstand te bieden aan zijn aandrang om haar elke dag te zien, zou zijn om te vertrekken naar een ver oord. Dat kan echter hij niet. Maar wat misschien wel kan is een derde inschakelen die haar zijn gevoelens voor haar zou kunnen overbrengen, of dan toch minstens bij haar zou kunnen peilen naar de hare voor hem? Misschien zou Saint-Loup zich van deze taak kunnen kwijten?

Marcel zoekt Saint-Loup op in diens garnizoensplaats Doncières. (Waarmee hij dus toch ingaat op zijn eerste impuls, om zich een tijdje van Mme de Guermantes te verwijderen.) Proust zegt dat dit oord niet ver van Parijs gelegen is, maar zo dicht ligt Doncières, in de driehoek Nancy-Metz-Épinal, nu ook weer niet bij de hoofdstad – al moeten we voorzichtig zijn met dergelijke vaststellingen want Proust heeft al eerder bewezen het niet zo nauw te nemen met de geografie. Marcel komt ongelegen, want Saint-Loup heeft net weekdienst.

Saint-Loup raadt Marcel in eerste instantie het hotel de Flandre aan, un ancien petit palais du XVIIIe siècle avec de vieilles tapisseries (71:33-34) waar Marcel zich zeker op zijn gemak zal voelen. Maar Marcel voelt bij het vooruitzicht een nacht alleen in dat hotel te moeten doorbrengen de oude angst weer opkomen die hem doet denken aan celle que j’avais jadis à Combray quand ma mère ne venait pas me dire bonsoir (72:14-16). Deze verwijzing naar de moeder, waardoor Saint-Loup als het ware een moederlijke functie krijgt toebedeeld maar waardoor ook, impliciet, een homoseksueel motief het discours binnensluipt, is zeker niet toevallig – er vallen nog wel meer parallellen te trekken tussen de kazerne van Doncières en het huis in Combray. Terwijl Saint-Loup bij de poort van de kazerne Marcels onrust probeert te sussen, slaagt hij er in om een steigerend paard te bedwingen – wat ons toch wel enig idee geeft van de heftigheid van Marcels emoties.

Saint-Loup stuurt Marcel in afwachting vooruit naar zijn kamer. Marcel brengt er de tijd door met het observeren van de objecten – die maken dat hij zich er onmiddellijk thuisvoelt – en met beschouwingen over de aard van de geluiden die hij er hoort: het haardvuur, het tikken van de klok, de geluiden op straat en elders in het gebouw. Hoe zou hij die – soms storende – geluiden kunnen uitschakelen: wachten tot ze voorbijgaan of er zijn oren voor stoppen? Net zo, overweegt hij, moet het mogelijk zijn om zich van de blootstelling aan een te heftige liefde te vrijwaren: on peut se demander si pour l’Amour (…) on ne devrait pas agir comme ceux qui, contre le bruit, au lieu d’implorer qu’il cesse, se bouchent les oreilles (75:34-39).

Volgt een over twee bladzijden (76 en 77) uitgesmeerde bespiegeling over het onderbreken (met oorproppen) en het volledig wegvallen (door doofheid) van geluid. Bij dat laatste lijkt het alsof de dingen uit zichzelf bewegen en dus leven, doordat nu eenmaal het geluid dat ze maken heel nauw met ons waarnemen van oorzakelijkheid is verweven: les objets remués sans bruit semblent l’être sans cause; dépouillés de toute qualité sonore, ils montrent une activité spontanée, ils semblent vivre (77:27-30).

Het verblijf in Doncières zal blijken te worden gekenmerkt door een aanscherping van het zicht en het gehoor. Dans cette ouverture au monde extérieur, la sensibilité mise normalement à la disposition de son hyperesthésie est convertie en une célébration picturale et auditive de la ville et de ses activités sociales, schrijft Edward Hughes in het lemma ‘Doncières’ in de Dictionnaire Marcel Proust, waarin overigens ook nog sprake is van – onder meer – de verbanden tussen het seksuele verlangen en de hang naar een obscuur verleden, en tussen militaire strategie en de edele kunst van het schrijven.

08 september 2017

geen verloren tijd (118)



II:58-67

Daartoe aangezet door de onverhoopte blijk van sympathie die hij van haar in de schouwburg mocht ontvangen, vat Marcel nu elke ochtend post op de hoek van de straat om een blik van de Mme de Guermantes op te vangen wijl zij haar ochtendwandeling maakt. Daarmee zet hij een al oudere gewoonte gewoon voort: hij verlaat al enige tijd dagelijks het pand om passerende meisjes te spotten. Baat het niet, het schaadt ook niet: la terre me paraissait plus agréable à habiter, la vie plus intéressante à parcourir, depuis que je voyais que les rues de Paris, commes les routes de Balbec, étaient fleuris de ces beautés inconnues que j’avais si souvent cherché à faire surgir des bois de Méséglise, et dont chacune excitait un désir voluptueux qu’elle seule semblait capable d’assouvir (59:35-41).

In dit fragment komt heel wat samen. Erotiek maakt het leven aangenamer en – vooral! – interessanter. Proust herinnert ons ook aan de jeunes filles en fleur van Balbec door te stellen dat de straten van Parijs evenzeer bebloesemd zijn met ongekende schoonheden. Maar ook Méséglise, waar de bloeiende meidoornhagen evenzeer met erotisch betekenissen beladen waren, wordt hier opgerakeld (zie – onder meer – aflevering 15). Elk van die ongekende schoonheden is in staat om een wellustig verlangen op te roepen dat enkel door haar kan worden gestild. Het is duidelijk: de jonge Marcel trekt niet alleen uit esthetische overwegingen het huis uit, hij bereidt zich voor op een ánder leven. Wanneer hij de meisjes in de straten van Parijs ziet passeren en zelfs even volgt, houdt hij dan ook zijn hand op zijn hart, mon coeur qui s’élançait déjà vers une vie étrangère (59:27).

Déjà!

Marcel hoopt ook Mme de Guermantes op deze manier tegen het lijf te lopen want hij is haar vurige blik in de Opéra niet vergeten. Die blik heeft hem, zolang de herinnering eraan levendig was, aan het fantaseren gezet. Hij heeft Mme de Guermantes een plaats gegeven in de rij fantasiebeelden die hem zijn ingegeven door zijn ervaringen met Albertine, Gisèle en Gilberte. Ja, op den duur hevelde hij alle verliefde gedachten die hij aan die eerdere vlammen heeft gewijd op haar persoon over. Maar de herinnering aan de opgevangen vurige Opéra-blik vervaagt snel, en er ontstaat un écart, d’ailleurs toujours différent, entre ce que j’avais imaginé et ce que je voyais (61:8-10). Hij ziet telkens hij haar op straat ziet iets anders in het gelaat van de prinses: de ene keer rode vlekken, de andere keer de trekken van een Egyptische godheid, en dan weer de kop van een gier! Maar Marcel blijft wel door al deze verschillen heen de ‘essentie’ van Mme de Guermantes ‘zien’.

We komen zo meteen op de écart tussen feiten en waarneming terug.

Marcel krijgt Mme de Guermantes niet elke dag te zien. Of soms alsnog wanneer hij het na lang vruchteloos uitkijken niet meer verwachtte. Dat zijn uiteraard de meest intense ontmoetingen.
Françoise, die Marcel telkens helpt bij zijn toilet voor zijn sorties matinales (63:29-30), laat blijken dat ze het maar niets vindt dat hij zo achter Mme de Guermantes aanzit. En Marcel weet dat zij over het vermogen beschikt om te weten wat onaangenaam voor hem dreigt te worden, un pouvoir dont la nature m’est toujours restée obscure (63:36). Dat vermogen heeft te maken met een gezond plattelandsverstand, dat ze naar de stad heeft meegenomen en dat daar, ondanks het feit dat het toch enigszins is beïnvloed door de geplogenheden van stedelijke bedienden, vrijwel intact is gebleven. Françoises inschatting van Marcel vernederingen of successen is altijd onfeilbaar gebleken. Ook wanneer hij zijn gevoelens voor haar probeert te verbergen of anders voor te stellen dan ze zijn, geldt: elle savait la vérité (65:33). En de waarheid, zo leert Marcel van haar, n’a pas besoin d’être dite pour être manifesté (66:14-15); de waarheid manifesteert zich meer dan met woorden met lichaamstaal.

(In een parenthese bij de opmerking dat Marcel dit van Françoise heeft geleerd, verwijst Proust naar les derniers volumes de cet ouvrage (66:13) omdat daar zal blijken dat hij die waarheid (namelijk dat de waarheid zich niet noodzakelijk via woorden openbaart) pas zal begrijpen nadat hij haar nogmaals heeft ondervonden, maar dan op een pijnlijkere manier.)

Ik zei daarnet dat we nog iets over de écart tussen waarneming en feiten zouden moeten zeggen. Daar is het nu het moment voor want Proust lost iets over het feit dat Marcels relatie met Françoise ook niet zo eenduidig is als hij het denkt en wellicht ook wenst. Via Jupien, die, zoals we ons nog herinneren, door Marcel hoog wordt ingeschat omwille van zijn ‘uitzonderlijke intelligentie (…) van een zo natuurlijke literaire inslag als ik zelden ben tegengekomen’ (zie aflevering 114), verneemt Marcel dat Françoise helemaal niet zo positief over hem oordeelt als zij tegenover hem laat uitschijnen. Dit plotselinge inzicht in het feit dat de dingen – en zeker de mensen – zijn wat ze zijn afhankelijk van het perspectief van waaruit je ze bekijkt, en dat dit principe niet enkel geldt voor le monde physique (67:5), treft Marcel als iets angstaanjagends. Het zet hem aan het denken. En était-il ainsi dans tous les rapports sociaux ? Et jusqu’à quel désespoir cela pourrait-il me mener un jour, s’il en était de même dans l’amour ? Dat zijn pertinente vragen. Proust beantwoordt ze niet door nog eens vooruit te wijzen naar wat nog komen moet: C’était le secret de l’avenir (67:18-21).

Voorlopig besluit hij dat onze kennis van de medemens nooit betrouwbaar is; voortaan moet Marcel leven met het besef qu’une personne n’est pas, comme j’avais cru, claire et immobile devant nous avec ses qualités, ses défauts, ses projets, ses intentions à notre égard (…), mais est une ombre où nous ne pouvons jamais pénétrer, pour laquelle il n’existe pas de connaissance directe (67:29-35).  

geen verloren tijd


*