een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

14 mei 2012

geen verloren tijd (33)

239-247


Swann gaat enkel ’s avonds naar Odette. Hij beseft dat hij niet weet wat zij overdag doet, net zo min als hij weet wat zij in het verleden deed. Hij weet dat zij een niet zo gunstige reputatie genoot, maar hij troost zich met de gedachte qu’il n’y a souvent qu’à prendre le contrepied des réputations que fait le monde pour juger exactement une personne (239:29-31). Hij kan zich overigens niet voorstellen dat Odette zo slecht zou zijn: hij heeft haar een keer zien liegen tegen Mme Verdurin, en dat ging haar niet goed af: een voorafspiegeling op wat hij zelf nog zal ondervinden.

Odette vindt dat Swann op een adres woont zijn stand onwaardig. Hij woont in een buurt, op het Île Saint-Louis, die traditioneel in trek is bij de oude adel die hij frequenteert. Het zwaartepunt voor de nieuwe rijke bourgeoisie waartoe Odette wenst te behoren en die in Parijs steeds nadrukkelijker het schone weer uitmaakt, bevindt zich meer in de omgeving van de Arc de Triomphe.

Af en toe komt Odette een keer ’s namiddags tot bij Swann, en dan schenkt zij hem een van haar beminnelijke glimlachjes. Maar soms hoort hij toch ook eens iets over haar gangen en dan blijkt dat die niet uitsluitend naar hem voeren. Dan realiseert hij zich qu’Odette avait une vie qui n’était pas tout entière à lui (240:29-30).

Swann beseft dat Odette niet echt intelligent is en hij onderneemt geen pogingen om haar slechte smaak weg te werken. En inderdaad, iemand die haar interesse verliest voor Vermeer omdat het niet bewezen is dat die zijn schilderijen uit liefdesverdriet maakte, daar zijn veel kosten aan. Swann probeert het dan ook niet. Hij vindt het zelfs charmant, comme tout ce qui venait d’elle (245:34). Hij is zelfs bereid om wat zij goed vindt, zelf ook goed te vinden: il cherchait à se plaire aux choses qu’elle aimait (246:32-33). Dat kost hem trouwens niet zoveel moeite aangezien zijn scepticisme d’homme du monde al zijn croyances intellectuelles de sa jeunesse (247:4-6) hebben verdrongen. Hij is er nu van overtuigd que les objets de nos goûts n’ont pas en eux une valeur absolue, mais que tout est affaire d’époque, de classe, consiste en modes, dont les plus vulgaires valent celles qui passent pour les plus distinguées (247:8-11). De prepostmoderne esthetica van Swann – hij is zijn tijd ver vooruit! – sluit nauw aan bij het doorbreken van de sociale onderscheidingen ten nadele van de oude aristocratie. De afbraak van de esthetische hiërarchieën gaat hand in hand met de democratisering van de maatschappij.

Van de weeromstuit vindt Odette hem ook niet zo intelligent als ze aanvankelijk had gedacht. Wel bewondert ze in hem son indifférence à l’argent, (…) sa gentillesse pour chacun, (…) sa délicatesse (241:34-35). En zo gaat het dikwijls bij grote geesten: waar de kleine man, of vrouw, niet bij hun denkbeelden kan, daar bewonderen ze hun goedheid. Ondertussen blijft Odette een voorkeur hebben voor ‘middeleeuwse’ interieurs en voor lieden die aimaient à bibeloter (in boeken neuzen), qui aimaient les vers, méprisaient les bas calculs, rêvaient d’honneur et d’amour (245:11-13).

Odette verlangt niet door Swann opgenomen te worden in zijn wereld. Het lijkt erop dat ze de kwade tongen vreest die zich daar zouden kunnen roeren. Toch is het niet zo dat ze niet tot de beau monde zou willen doordringen, maar ze heeft wel een heel andere opvatting over wat chic is dan Swann. Voor mensen die deel uitmaken van de society, zoals Swann, is chic iets dat in concentrische cirkels van de ene mens op de andere afstraalt, een licht dat zich vanuit een kleine centrale kring afzet op steeds wijdere kringen daarbuiten. Hierin opgenomen te zijn, impliceert een kennis van namen en hiërarchieën. Die kennis bezit Odette niet, voor haar is ‘chic’ een materiële aangelegenheid, iets wat te vinden is op bepaalde plaatsen op bepaalde tijdstippen: par exemple, le dimanche matin l’avenue de l’Impératrice, à cinq heures le tour du Lac, le jeudi l’Eden Théâtre, le vendredi l’Hippodrome, les bals… (243:16-19). Swann beseft dat zijn opvatting van ‘chic’ al aussi sotte, dénuée d’importance (243:40) is geworden en hij onderneemt geen pogingen beide opvattingen op elkaar af te stemmen. Hij beseft dat Odette zijn adressenboek alleen maar belangrijk vindt in de mate dat zij er toegangskaarten en uitnodigingen uit kan puren.

12 mei 2012

geen verloren tijd (32)

I, 233-239

Wat begint met het herschikken van de catleyas op Odettes boezem, eindigt met l’acte de la possession physique (234:12-13) – hoewel ‘bezitten’ niet echt een geschikte term is want wat is het dan dat je bezit? Het stramien schikken-bezitten vindt zijn weg naar de privétaal die tussen Odette en Swann ontstaat: ook nadat de flikflooierij niet meer met bloemschikken – of met het tot obligaat ritueel verworden bloemschikken – wordt ingezet, blijft ‘faire catleya’ (234:10-11) voor het koppel de metafoor voor ‘de liefde bedrijven’. Het voordeel van een dergelijke privétaal, die bij elk liefdeskoppel ontstaat, is dat ‘de daad’, die in een bepaald opzicht toujours la même et connue d’avance (234:19) is, er iets unieks door krijgt.

Van nu af aan stapt Swann niet enkel om thee te drinken bij Odette binnen. Zijn aanwezigheden op de soirees van de Verdurins schieten er bij in, en ook zijn vrienden ondervinden dat andere zaken hem bezighouden. De hartstocht verandert zijn gewoonten. De onweerstaanbare aandrang die hem de afstand die hem van Odette scheidt doet overbruggen, is even dwingend als la pente même, irrésistible et rapide, de sa vie (235:23-24). Soms ontziet hij het zich wel eens, maar dan herinnert hij zich de angst die hij heeft gevoeld die keer dat Odette al van bij de Verdurins was weggegaan. Ja, misschien is het wel door die angst dat Odette zo belangrijk voor hem is geworden. Swann blijft zich bewust van het feit dat haar eigenschappen – haar fysieke onvolkomenheid en haar slechte smaak – niet rechtvaardigen dat hij zich zo aan haar bindt en voor haar, en voor ce plaisir imaginaire (236:39) dat zij hem te bieden heeft, tant d’intérêts intellectuels et sociaux (236:38) opoffert.

Maar er is iets dat sterker is, dat hem zwak maakt. Telkens wanneer zij op haar piano met zeer beperkte pianistieke talenten het zinnetje van Vinteuil speelt, lijkt iets in Swann te bezwijken voor une réalité supérieure aux choses concrètes (237:3-4). Maar wat er in hem beantwoordt aan die hogere werkelijkheid, blijft onduidelijk. Dat blijft oningevuld. En op die lege plek kan Swann de naam van Odette schrijven.

De muziek die Odette voor hem ten gehore brengt, betovert en verdooft Swann. Ernaar te luisteren, verschaft hem grand repos, mysterieuse rénovation (237:24). Het is alsof de wereld ineenschrompelt, dat de rede verstek laat gaan en dat alles door dat ene zintuig, het gehoor, bij hem naar binnen komt. Alles wat normaal gezien belangrijk is, wordt onbeduidend in vergelijking daarmee. En dan is er maar één aandrang die overblijft: Odette te kussen. Terwijl zij het zinnetje speelt, op zijn aandringen steeds opnieuw, werpt hij zich op haar, herkent in haar weer de Zippora van de Sixtijnse kapel, en kan niet anders dan haar te nemen. Zij laat het toe en bezweert daarmee zijn angst.

Op weg naar huis vraagt hij zich af of deze liefde kan blijven duren, of ze hem zal kunnen blijven betoveren. Want dat is het wat hij voelt: zoals de poëzie hem in zijn jeugd betoverde, zo betovert Odette hem nu. Beide betoveringen zijn in staat te worden verdreven door une vie frivole (239:9), een ‘oppervlakkige manier van leven’, maar er is naast deze gelijkenis ook een groot verschil: waar de betovering van de poëzie zich op dingen afzet, daar verschijnt ze nu in le reflet, la marque d’un être particulier (239:10-11).

11 mei 2012

geen verloren tijd (31)


I, 218-233


Samen met Swann betreden we het huis van Odette. Dat ze anglofiele is, wisten we al: ze houdt thee-uurtje. Maar uit de decoratie van haar interieur kunnen we nu ook haar voorkeur voor japonnaiserieën afleiden. Zo is Odette helemaal mee met de heersende modes. En ze houdt van orchideeën, chrysanten en catleyas omdat die de grote verdienste hebben à ne pas ressembler à des fleurs (221:18-19).

Na dit eerste bezoek laat Swann zijn sigarettenetui liggen; Odette brengt er hem nauwelijks een uur later per brief van op de hoogte. Bloemenkeus, interieurinrichting, taalgebruik én handschrift verraden een slechte smaak en opvoeding – maar Swann ziet het niet.

Bij zijn tweede bezoek heeft Swann voor Odette een ets meegebracht en wanneer zij zich erover buigt om hem te bekijken, ziet hij in haar een gelijkenis met Zippora, de dochter van Jethro, zoals zij door Botticelli is afgebeeld in de Sixtijnse kapel. Swann ziet in schilderijen niet alleen algemene kenmerken van de werkelijkheid, hij herkent ook in geschilderde koppen individuen – en zo vertegenwoordigt de schilderkunst voor hem niet alleen het algemene maar ook het particuliere. Dat troost hem enigszins want blijkbaar hebben de door hem aanbeden meesters toch ook aandacht opgebracht voor het soort koppen dat toebehoort aan mensen met wie hij in de mondaine conversatie vaak het gevoel heeft zijn tijd te verliezen. Deze echo’s van de werkelijkheid in de kunst – zowel beeldende kunst als muziek – doen Swann nog intenser van kunst genieten. En van de weeromstuit wordt Odette, die hij op zich niet mooi vindt, alsnog bevalliger, en wel door haar gelijkenis met een figuur uit het oeuvre van een aanbeden meester: cette ressemblance lui conférait à elle aussi une beauté, la rendait plus précieuse (224:9-10).

Swann vraagt zich een beetje gegeneerd af hoe het mogelijk is geweest dat hij in Odettes aangezicht niet de trekken heeft gezien die Botticelli kennelijk mooi genoeg heeft gevonden om in zijn schilderij op te nemen. Odette is nu niet langer een ‘onvolmaakt gebrek-aan-beter’, puisqu’elle contentait en lui ses goûts d’art les plus raffinés (224:17-18). Maar daarom wekt ze zijn begeerte nog niet op: zijn begeerte is altijd een tegenovergestelde kant uitgegaan dan zijn esthetische voorkeuren. De gratificatie door de esthetiek lijkt een kus of ronduit de geslachtsgemeenschap (le baiser et la possession (224:31-32), die middelmatig zijn als het lichaam niet mooi is), nu, ‘als bekroning van de adoratie voor een museumstuk’, surnaturels et délicieux (224:35) te maken.

Swann zet zelfs een reproductie van Botticelli’s portret van Zippora op zijn bureau om zijn gevoelens voor Odette levendig te houden. Of zelfs aan te wakkeren, hetgeen nodig is want sinds Odette zeker lijkt van Swanns belangstelling, is hun verhouding al wat mat geworden. Om die verhouding opnieuw wat leven in te blazen, schrijft Swann  une lettre pleine de déceptions feintes et de colères simulées (225:30-31) – en het gewenste resultaat blijft niet uit: zij schrijft hem de tederste brieven en hij kan weer met de grootste verwachtingen naar de bijeenkomsten van de Verdurins gaan, steeds met een air van dat het voor hem niet per se hoeft.

Een keer is Swann een beetje te lang met zijn ateliermeisje blijven spelen en komt hij te laat: Odette heeft niet op hem gewacht. Pas door verstoken te blijven van het genoegen dat zij hem verschaft, beseft hij dat hij ernaar heeft verlangd – hij heeft alleen nooit rekening gehouden met de mogelijkheid dat hij het niet zou krijgen. Zijn teleurstelling ontgaat de Verdurins niet. Mme Verdurin is supporter van haar dochter: zij vindt onomwonden ‘dat ze met hem naar bed moet gaan’. M. Verdurin vindt Swann te intellectueel voor zijn dochter en hij vindt hem een poseur (227:32). Mme Verdurin: als Swann een poseur is, betekent dat dat hij neerbuigend zou kunnen zijn – en dus dat hij hoger zou kunnen staan dan zij.

Een bediende brengt Swann Odettes boodschap over: ze is naar café Prévost om er vooraleer naar huis te gaan nog een chocolade te drinken. Halsoverkop haast Swann zich naar Prévost. Hij beseft dat hij niet meer zichzelf is, qu’il n’était plus seul, qu’un être nouveau était là avec lui (228:38-39) –, en dat, beseft Swann, maakt het leven interessanter en spannender. Swann lijkt in zijn haast om tijdig bij Prévost aan te komen zelfs te vergeten dat als Odette daar nog is, dit enkel maar tot een zoveelste vruchteloos samenzijn kan leiden; hij zou nogmaals de kwelling moeten ondergaan et la torture que lui apportait la vaine présence (‘het zinloze gezelschap’) de cette femme qu’il approchait sans oser l’étreindre (‘in zijn armen te sluiten’; 229:18-19).

Odette is niet bij Prévost. Samen met zijn koetsier begint Swann nu aan een zoektocht in de restaurants in de buurt. Wanneer de koetsier terugkeert, vraagt hij niet of hij haar heeft gevonden, maar wel dat hij, de koetsier, hem, Swann, er morgen moet aan herinneren dat hij hout moet bestellen. Maar de koetsier zegt dat Odette niet te vinden is. Swann weigert naar huis te gaan. En nu is het duidelijk: hij heeft een grens overschreden, het plezier dat hij aan Odettes aantrekkelijkheid beleefde, is omgeslagen in un besoin absurde, in le besoin insensé et douloureux de le posséder (231:6-9).

En dan loopt Swann alnog Odette tegen het lijf. Ze schrikt. Hij probeert haar gerust te stellen en stapt in haar rijtuig. Dat moet uitwijken voor een obstakel. De catleyas op haar kleed verschuiven door de schok. Hij biedt aan ze te herschikken. Odette weet wat er nu volgt, maar ze doet alsof ze nog eventjes tegenpruttelt. Swann van zijn kant is zeker ook niet té gulzig: alvorens Odette te kussen, neemt hij haar hoofd in zijn handen en bekijkt haar, wetend dat het de laatste keer is dat hij de nog niet door hem gekuste Odette ziet, met ce regard avec lequel, un jour de départ, on voudrait emporter un paysage qu’on va quitter pour toujours (233:29-31).

10 mei 2012

geen verloren tijd (30)

I, 208-218


Het spel van de jonge pianist doet Swann denken aan een soiree het jaar tevoren, toen hij bij het beluisteren van een uitvoering van een stuk voor viool en piano een hevige esthetische ervaring had, zonder te hebben kunnen achterhalen wie het muziekstuk had gecomponeerd.

Hoewel hij de sensatie die muziek kan teweegbrengen onbeschrijflijk acht – de muzikale motieven zijn ‘onmogelijk te beschrijven, in herinnering te roepen, te benoemen, onzegbaar’ –, waagt Proust toch een poging. Eerst is er een grillige zintuiglijke ervaring: iets onvatbaars, iets als golven in het water. Daarin kun je een patroon ervaren, een zin onderscheiden die, als je hem nog eens hoort, voor een andersoortig genot kan zorgen dan dat eerste, nog puur zintuiglijke en passieve genot, dat als een onderdompeling is. Dit tweede genot is cerebraler en al minder ongrijpbaar: il avait devant lui cette chose qui n’est plus de la musique pure, qui est du dessin, de l’architecture, de la pensée, et qui permet de se rappeler la musique (209:35-37). De ervaring krijgt een gelaagdheid, hij wordt substantiëler dan alleen maar een ijl genieten van vervluchtigende klanken. Hij lijkt un bonheur noble, inintelligible et précis (210:4-5) in het vooruitzicht te plaatsen. Hij lijkt – zoals wanneer je een onbereikbare schone vrouw ziet passeren – de gevoeligheid aan te scherpen en een uitzicht te bieden op la possibilité d’une sorte de rajeunissement (210:21-22). Alsof dat muzikale genot een tegenwicht biedt voor de verzadigde gelatenheid die het gevolg is van de vluchtige, niet-essentiële genoegens van het societyleven.

Swann had er zich al bij neergelegd dat hij tot zijn dood geen ‘hooggestemde ideeën’ meer in zich zou voelen opkomen. Hij had vrede genomen met oppervlakkig gebabbel en het lusteloze naleven van etiquettevoorschriften, zonder daarbij zijn persoon echt te engageren. Maar nu brengt de muziek hem toch nog eens dat moeilijk te beschrijven iets dat wezenlijker is, dat hem werkelijk deugd doet. En hij reageert zo verrukt, dat Mme Verdurin denkt dat hij overdrijft.

Van de pianist verneemt Swann dat het werk dat hem zo ontroerde is geschreven door de componist Vinteuil. En hoewel iedereen hem bezweert dat je die sonate voor piano en viool niet niet kunt kennen, kan niemand hem vertellen wat het zinnetje, dat hem in het verleden al eens en nu opnieuw zo beroerde, ‘voor Vinteuil zelf kon hebben betekend’. Dat te weten te komen, lijkt Swann nu belangrijker dan elk snobistisch mondain eerbetoon: c’est cela surtout qu’il aurait voulu savoir (212:33-34). Maar de Verdurins en hun gasten kunnen hem niet helpen: Vinteuil spreekt met klanken, net als de schilder Biche met kleuren, een taal die zij (nog) niet kunnen begrijpen. Il leur semblait quand le pianiste jouait la sonate qu’il accrochait au hasard sur le piano des notes que ne reliaient pas en effet les formes auxquelles ils étaient habitués, et que le peintre jetait au hasard des couleurs sur ses toiles. (213:25-29)

Swann vraagt zich af of de componist Vinteuil dezelfde is als de pianoleraar van de zussen van Marcels grootmoeder. (We leerden Vinteuil kennen in het zich in de tijd later afspelende eerste deel van de Recherche, Combray, als de vader van de wellustige dochter die de seksuele nieuwsgierigheid van de nog jonge Marcel prikkelt.) Het kan toch niet, overweegt hij nogal bekrompen, dat de maker van dit vooruitstrevende moois die vieille bête (214:15; ‘oude sok’) zou zijn? Cottard meent te weten dat Vinteuil ongeneeslijk ziek is, en volgens de schilder zou de schilder lijden aan aliénation mentale (214:29) – hetgeen ten andere zou te merken zijn à certains passages de sa sonate (214:30). Die opmerking bevreemdt Swann: de kwalificatie folie (‘waanzin’) kan op muziek die zich onttrekt aan de gangbare logische verbanden, die bijvoorbeeld samenhangende taal kenmerken, niet van toepassing zijn. Je kunt evengoed een teef of een paard waanzinnig noemen, overweegt hij cryptisch.

Wanneer de avond op zijn eind loopt, krijgt Swann van Mme Verdurin de zegen: hij is bij haar in de smaak gevallen en ze laat Odette weten dat hij ook op de volgende gelegenheden welkom is. In tegenstelling tot wat Odette verwacht, laat Swann het zich geen twee keer zeggen en laat hij geen gelegenheid onbenut om zijn opwachting te maken. Daarbij komt aan het licht dat voor hem deuren opengaan die voor de Verdurins normaal gezien gesloten zouden blijven. Hij kent bijvoorbeeld Grévy, de president van de republiek. Hij gaat zelfs regelmatig dineren op het Elysee. Maar, voegt Swann er bescheiden aan toe, om de Verdurins niet al te veel te epateren, dat zijn maar saaie bijeenkomsten. De Verdurins van hun kant doen alle moeite om niet al te zeer hun bewondering voor Swann te laten blijken en schamperen over Grévy: Il paraît qu’il est sourd comme un pot et qu’il mange avec ses doigts (217:9-10; ‘doof als een kwartel…’). Toch zijn ze natuurlijk wel onder de indruk van Swanns statusverhogende relaties, en bij elke gelegenheid informeert Cottard of Swann van de partij zal zijn.

Odette laat Swann weten dat ze eens graag met hem alleen zou gaan eten, in plaats van in te gaan op de uitnodigingen van de Verdurins. Swann heeft echter zijn eigen agenda en houdt de boot af. Vlak voor hij naar de Verdurins gaat, mag hij, in zijn koets, graag een snolletje in zijn armen houden, préférant infiniment à celle d’Odette la beauté d’une petite ouvrière fraîche et bouffie comme une rose (218:5-7).

Telkens wanneer Swann binnenkomt, wordt het zinnetje van Vinteuil gespeeld qui comme était l’air national de leur amour (218:19-20). Swann kan echter de gedachte nauwelijks verdragen dat Vinteuil zijn klanken heeft gecomponeerd zonder hem en Odette voor ogen te hebben gehad: daardoor banaliseert de muziek van Vinteuil in zekere zin zijn liaison met Odette.

Waar Swann liever niet samen met Odette bij de Verdurins aankomt, daar vindt hij het wel leuk dat hij haar vergezelt tot bij haar thuis. Maar mee naar binnen gaat hij nooit. Op twee keer na, om samen met haar thee te drinken.

08 mei 2012

geen verloren tijd (29)

I, 199-208
Wanneer Swann de eerste keer bij de Verdurins aankomt, zijn daar aanwezig, behalve mijnheer en madame Verdurin en Odette: dokter Cottard en zijn vrouw, de jonge pianist en zijn tante, en een schilder die op dat ogenblik in de smaak valt. In de loop van de avond komen er nog enkele ‘getrouwen’ bij.

Dokter Cottard is een beetje onnozel. Hij beschikt niet over het vermogen om in te schatten of iets serieus bedoeld is of om te lachen. Daarom reageert hij altijd dubbel: ernstig maar met un sourire conditionnel et provisoire (200:6) om de mond, niet voluit glimlachend dus, hetgeen hem voor een reproche de naïeveté (200:7) moet behoeden. Om zijn gebrek aan kennis aan te vullen – kennis die hij nodig heeft om de dubbelhartige situaties waarin hij op de soirees verzeild geraakt beter in te schatten – laat hij geen gelegenheid onbenut om meer te weten te komen over eigennamen en zegswijzen. Zegswijzen die hij dan ook te pas en ten onpas – en meer ten onpas omdat hij alles veel te letterlijk opvat – in de conversatie hoopt te kunnen gebruiken! Proust introduceert met de onnozele Cottard, die niet voor dubbelzinnigheid vatbaar is, een geschikte figuur om – ex contrario – de dubbelhartigheid en hypocrisie, die de ‘beschaafde’ conversatie domineren, extra in de verf te zetten.

De schilder, ‘monsieur Biche’, is een arrangeur van verhoudingen. Hij gaat er prat op al enkele huwelijken te hebben bekokstoofd, même entre femmes! (202:11) en hij kijkt dan ook uit naar de komst van Swann, met de stellige intentie goed toe te kijken of Odette erin zal slagen Swann aan zich te binden.

Odette heeft – met een nuffig modewoord – aangekondigd dat Swann smart is. Het gezelschap verwacht daarom un ‘ennuyeux’ (202:13) te zullen mogen verwelkomen. Maar Swann maakt een veel betere indruk, en daar is zijn vertrouwdheid met de hoogste kringen niet vreemd aan. Hij heeft het allemaal al meegemaakt en kan zich los en ontspannen kwijten van de geplogenheden die hij hoort na te komen, met dien verstande dat hem een grotere vrijheid is toegestaan omdat hij nu eenmaal vanuit de hogere kringen naar de lagere kring van de Verdurins is afgedaald. Maar bij het glimlachje waarop dokter Cottard hem onthaalt, aarzelt Swann toch even. Is dat nu een samenzweerderig glimlachje, waarmee de dokter mogelijk de nieuwe gast wenst te herinneren aan een gemeenschappelijk uitstapje naar een of ander huis van plezier? Swann ziet echter al vlug in dat hij zich vergist wanneer hij wordt voorgesteld aan mevrouw Cottard: de dokter zal in het bijzijn van zijn vrouw toch niet dergelijke toespelingen maken? Swann wordt ook voorgesteld aan de schilder Biche, aan de archivaris Saniette en aan de tante van de pianist. We zien telkens hoe de Verdurins waken over de manier waarop Swann de eerste ontmoeting met hun gasten doorstaat. Wanneer Biche Swann en Odette meteen naar zijn atelier uitnodigt (waar hij op een portret de glimlach van dokter Cottard probeert vast te leggen), reageert Mme Verdurin jaloers. En aan de verlegen en goedhartige Saniette, vinden ze, moet Swann niet al te veel aandacht besteden. Met de tante van de pianist, die bang is fouten tegen het Frans te maken en daarom maar meteen álle woorden onduidelijk uitspreekt, moet Swann maar niet de spot drijven, vindt M. Verdurin. Als je met haar alleen bent, blijkt ze best wel interessant, verdedigt hij haar. En bovendien kan ze goed schrijven! Heeft Swann haar neefje, de pianist, al eens gehoord? ‘Het zou een eer…’ zijn, zegt Swann, maar hij wordt meteen onderbroken door M. Verdurin die het onbedachtzaam gebruik van zo’n duur woord (‘eer’) bespottelijk vindt.

Mme Verdurin ziet het van op een afstandje aan: de heren lijken zich te amuseren en zij voelt zich buitengesloten. Aangezien ze, ‘sinds het ongeluk met haar kaak’, niet voluit kan lachen, beperkt ze zich tot une mimique conventionnelle qui signifiait, sans fatigue ni risques pour elle, qu’elle riait aux larmes (205:23-25): zelfs de meest spontane gevoelsuiting is gereduceerd tot een artificiële imitatie ervan. Mme Verdurin pronkt graag met haar spulletjes en alle nutteloze cadeaus die ze van haar gasten krijgt. Konden ze maar allemaal bloemen en zoetigheden meebrengen: die dingen hoef je tenminste niet uit te stallen. Nu pocht ze met haar Beauvais-canapé. Ze is in het benoemen van het tafereel op het borduursel van de zitting – een voorstelling van ‘De vos en de druiven’ van La Fontaine (Mme Verdurin heeft het over een ‘beer’) – al even onnauwkeurig als in het benoemen van het ‘voorspel’ van de Meistersinger van Mahler (ze heeft het over de ouverture (206:36)). Het is duidelijk dat Proust zich amuseert met de lacunes in de parate kennis van zijn protagonisten.

07 mei 2012

geen verloren tijd (28)

I, 195-199


Het verlangen dat Odette de Crécy in Swann doet ontstaan, is atypisch. Haar schoonheid heeft Swann niet spontanément, sans s’y efforcer (195:32) ‘aantrekkelijk’ gevonden, neen, haar schoonheid was van een soort qui lui était indifférent, qui ne lui inspirait aucun désir, lui causait même une sorte de répulsion physique (195:41-43). Odette wordt bovendien niet geholpen door de in die tijd heersende haar- en kledijmode – Proust steekt er ferm de draak mee! Wanneer Odette toenadering zoekt – onder het mom bij hem thuis zijn collecties te komen bezichtigen –, is het dan ook niet zonder enige neerbuigendheid dat Swann toestemt. Al heeft hij toch ook al de leeftijd bereikt waarop hij niet lichtzinnig omspringt met elke kans om verliefd te worden. Het is de leeftijd où l’on sait se contenter d’être amoureux pour le plaisir de l’être sans trop exiger de réciprocité (196 :24-25). Je valt niet meer voor louter fysieke schoonheid. Je hoeft ook niet meer zo nodig een vrouwenhart te veroveren: het feit dat een vrouw je haar hart wil schenken, kan volstaan om de tederste gevoelens te doen ontwaken. En je kent al het deuntje van de liefde, je kunt desnoods middenin invallen en naadloos aansluiten bij het punt waar de ontluikende liefde is aangekomen. De ouderdom brengt een subtiele menging van levenswijsheid en cynisme.

Aanvankelijk kan Swann Odettes invitaties afwimpelen met de uitvlucht dat hij hard moet werken aan een studie over Vermeer – en réalité abandonnée depuis des années (198:9). Odette kent Vermeer niet (Proust schrijft: Ver Meer), zij vraagt Swann haar meer te vertellen over de Hollandse schilder. Swann gebruikt nog een ander excuus: hij zegt bang te zijn voor nieuwe vriendschappen en voor de angst die deze met zich meebrengen. De manier waarop Odette hem bezweert niet bang te zijn voor haar genegenheid ontwapent hem. Vous avez dû souffrir par une femme. Et vous croyez que les autres sont comme elle. Elle n’a pas su vous comprendre ; vous êtes un être si à part. C’est cela que j’ai aimé d’abord en vous, j’ai bien senti que vous n’étiez pas comme tout le monde. (198:33-38) Dit soort argeloze uitspraken brengt Swann ertoe zijn aanvankelijke esthetische bezwaren ten aanzien van Odettes fysieke verschijning te laten varen. Het enige wat hij nu nog nodig heeft om zijn gereserveerdheid helemaal op te geven, is ‘een bepaalde omstandigheid’.

Die omstandigheid komt er. Marcels grootvader weigert in te gaan op een schriftelijk verzoek hem bij de Verdurins te introduceren: dat volkje is hem te laag gevallen. (Hier krijgen we nog eens de à la garde!-scène (194:6) – dergelijke niet weggewerkte herhalingen wijzen op de onvolkomenheid, of onafheid, van Prousts tekst.) Omdat niemand Odette helpt, brengt ze zelf Swann mee naar de Verdurins. (Hoe dit mogelijk is, blijft onduidelijk. Kan een jonge vrouw op eigen houtje iemand introduceren? Gaat dat niet in tegen elke etiquette? Of wijst dit op een gebrek aan etiquette en wil Proust op die manier de ‘lage’ status van de Verdurins illustreren, alsook het feit dat Swann er lak aan wanneer hem dat uitkomt?)

04 mei 2012

geen verloren tijd (27)

Hier begint mijn lectuur van Un amour de Swann, het tweede deel van A la Recherche du temps perdu van Marcel Proust.  

I, 188-195

De voorwaarden om toegelaten te worden tot de petit clan (188:12) van de Verdurins zijn behoorlijk nuffig. Het Credo (188:14, mét hoofdletter) omvat subtiele aanwijzingen inzake artistieke voorkeuren en – meer nog – veronderstelde attitudes met betrekking tot het zich voortbewegen in de high society. Zo komt het dat er maar weinig vrouwen de bijeenkomsten der Verdurins frequenteren: zij zijn te nieuwsgierig naar wat er in andere salons gebeurt en dat wordt niet geapprecieerd. Behalve de jonge vrouw van dokter Verdurin maken enkel nog Odette de Crécy en la tante du pianiste (188:39) deel uit van het selecte gezelschap.

De kring streeft toch enige informaliteit en camaraderie na. Geen habit noir (189:25) op de bijeenkomsten, en de pianist speelt alleen maar Wagner als hij daar zin in heeft.

Mme Verdurin waakt als een kloek over de aanwezigheden: je moet al een stevig excuus hebben om een soirée over te slaan. Een minnaar of maîtresse is alvast geen excuus om niet te komen: de Verdurins, dat wil zeggen Mme Verdurin want zij gaat daarover, hebben liever dat de nieuwe vlam meekomt naar de feestjes. Als hij of zij aan de strikte voorwaarden voldoet, heeft de kring er dan alvast opnieuw een waardevol element bij.

En zo gebeurt het dat Swann, als introducé van Odette, in het gezelschap van de Verdurins wordt opgenomen. Natuurlijk zijn de Verdurins voor Swann te min: hij is veel chiquere kringen gewoon. Maar Swann aimait tellement les femmes (191:18-19) en als hij zijn oog op eentje heeft laten vallen, gaat hij ervoor – ook al maakt ze deel uit van een lagere sociale klasse. In de society heeft hij zowat alles versierd wat er te versieren valt, nu gaat hij de kringen lagerop afstropen. Zijn begeerte en liefde trekken zich van sociale stratificaties niets aan. Integendeel, door een vreemde kronkel komt het Swann voor dat zijn ijdelheid nog meer gestreeld kan worden als het voorwerp van zijn liefde hem als het ware van onderaf benadert. De afwijzing door een ondergeschikte zou harder aankomen. Swann, qui était simple et négligent avec une duchesse, tremblait d’être méprisé, posait, quand il était devant une femme de chambre. (192:4-6)

Swann trekt zich, in zaken van liefde, niets aan van sociale afgrenzingen. Hij streeft er niet naar de vrouwen die hij aantreft in zijn eigen kring mooi te vinden, neen, hij probeert de vrouwen die hij mooi vindt te versieren, ook als ze geen deel uitmaken van zijn kring. Esthetische standaarden wegen voor hem zwaarder door dan de dictaten van zijn sociale klasse. Dat hij met deze houding, die meteen een levenshouding is, bepaalde hooggeplaatste dames schoffeert, neemt hij er voor lief bij. Hij vindt het vermakelijk, en hij kan niet worden vrijgepleit van ‘een zekere lompheid’ (une certaine muflerie (193:11)). Dat verwijt hindert hem niet, hij gaat er prat op een levensgenieter te zijn. Hij gaat, ervan overtuigd que la ‘Vie’ contient des situations plus intéressantes, plus romanesques que tous les romans (193 :16-17), prat op zijn avontuurtjes en licht er de baron de Charlus graag over in. (Wij zullen dus nog kennis maken met deze baron.)

Swann schakelt bij het versieren met cynisme en altijd constant gebleven diplomatie de hand- en spandiensten van al zijn vrienden in. Die kunnen, ondanks zijn onberekenbare grillen en platte opportunisme, hem nooit weerstaan. Maar ze blijven op hun hoede. Zoals Marcels grootvader. Hij ontving al strategische brieven van Swann voor Marcels geboorte. En dan was het: à la garde! (194:6)

Marcel zegt – een beetje verloren tussen deze aan Swanns sociale strategieën gewijde alinea’s – belangstelling te zijn beginnen opvatten voor Swanns karakter à cause des ressemblances qu’en de tout autres parties il offrait avec le mien (193:42-43). En met deze tout autres parties introduceert Proust het gegeven dat Swann, met al zijn amoureuze escapades, deel uitmaakt van een andere wereld dan deze waartoe de kleine Marcel behoort.

geen verloren tijd


*