een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

18 oktober 2018

geen verloren tijd (129)


II:161-172

Ondanks de kracht van Saint-Loups verbeelding, waardoor de snol Rachel aan hem verschijnt als een aanbiddelijke maîtresse, krijgt, aldus Marcel, Saint-Loup haar die ochtend, et probablement pour la seule fois (161:24-25), te zien zoals zij wérkelijk is: une Rachel à vingt francs (162:11). Zij wordt namelijk in het station, wanneer het gezelschap op het punt staat naar Parijs terug te keren, begroet door twee van haar vriendinnen, die duidelijk uit een leven komen, fort différente de celle qu’il [Saint-Loup] menait avec elle (162:6-7). Saint-Loup beseft dat hij te duur betaalt voor de gunsten die hij van Rachel krijgt, maar ook dat hij haar duurbetaalde liefdesbetuigingen niet kan missen. Het is geen ijdelheid die hem belet dit uitdrukkelijk toe te geven. Neen, de aandrang om te verzwijgen dat je de liefdesbetuigingen van diegene die je liefhebt moet betalen, en dus om voor te wenden dat je ze voor niets krijgt, is gewoon een uitvloeisel van de liefde, le besoin de se représenter à soi-même et aux autres comme aimé par ce qu’on aime tant (163:1-3). Liefde als zelfbegoocheling.

Saint-Loup krijgt dus even twee Rachels te zien: een samensmelting van de echte, die hij in gedachten een losbandig leven ziet leiden op de place Pigalle en à la taverne de l’Olympia (zou Proust het schilderij van Manet voor ogen hebben wanneer hij dit schrijft?; 163:30), en de Rachel die zij voor hem is. Hij voelt de weemoed die met de opsplitsing van zijn maîtresse gepaard gaat, maar hij besluit dat het geen zin heeft om haar te vragen wie zij wérkelijk is want hij weet maar al te goed dat zij zal zwijgen of liegen. Hij verkiest de illusie boven de ontnuchtering.

Le dédoublement de Rachel avait trop duré. (163:40-41) Het gezelschap stapt op de trein, uiteraard in een eersteklassewagon. Daar volgen wij het gesprek dat zich tussen de twee vrienden en Rachel ontspint. Saint-Loup bezigt daarbij Rachels koosnaampje Zézette. Het gaat eerst over Saint-Loups neiging om te veel te drinken (Rachel zou daar graag iets aan doen). Dan over Dreyfus (Rachel beklaagt de joodse officier: penser à ce qu’il doit souffrir, c’est ce qui me tue! (164:31-32)).

Eindelijk komen we aan in het restaurant waarheen we vijftien bladzijden geleden vertrokken waren. Saint-Loup houdt Rachel zorgvuldig in de gaten: hij is als de dood dat ze aandacht zou hebben voor andere mannen. Niet ten onrechte want onmiddellijk nadat ze hem heeft proberen te overtuigen dat zijn argwaan onterecht is, legt ze het eropaan die mannen te versieren. Deze keer vormt de kelner Aimé een bedreiging. Saint-Loup is op zijn qui-vive en roept zijn maîtresse meteen tot de orde.

De drie beginnen nu een gesprek over literatuur, zoals algemeen geweten altijd een goed surrogaat voor de liefde. Het stoort Marcel dat Rachel pedant uitpakt met le jargon des cénacles et des ateliers (167:8). Na de literatuur komt het toneel ter sprake. Rachel neemt het, tegen haar voor haar gunsten betalende vriend in, op voor La Berma (die we nog kennen van aflevering 117). Toegegeven, die actrice is nu misschien niet meer bij de tijd, maar: on lui doit beaucoup (167:36).

Eten doet Rachel met een stunteligheid die zou doen vergeten, overweegt Marcel, die het allemaal goed observeert en doorziet, dat ze in bed met mannen erg bedreven is: zij doet daar wat vrouwen doen die weten ce qui fera le plus de plaisir à ce corps pourtant si différent du leur (167:26-27).

Rachels blikt dwaalt af naar alweer een andere jonge man in de gelagzaal. Saint-Loup krijgt het ervan op zijn zenuwen. Tot overmaat van ramp merkt hij hoe buiten M. de Charlus in een koets is gearriveerd. Hij vermoedt dat zijn oom hem komt bespioneren en laat hem door Aimé, met wie hij eerst samenzweerderig fezelt, met een kluitje in het riet sturen. Rachel denkt dat de twee het over haar hebben en barst uit in een Spaanse colère. De maat is vol voor Saint-Loup, die het pand verlaat en aan Marcel te kennen geeft dat hij nu liever wat alleen is. Waardoor Marcel alleen met Rachel achterblijft. Zij bespreekt met hem hoe de mannen naar haar kijken. En dat ze wel eens graag met Aimé een paar daagjes op reis zou gaan. Mais pas plus que ça. (170:22) Ze kan zich trouwens niet voorstellen hoe het zou zijn als je van alle mannen waar je iets in ziet zou moeten gaan houden: ce serait au fond assez terrible (170:23-24).

Saint-Loup komt het restaurant terug binnen langs de achterdeur en gebiedt Rachel om zich met hem in een zijkamertje terug te trekken. Wat later wordt Marcel, die dus een tijdje alleen heeft moeten doortafelen, ook ontboden. Hij treft het stel tussen de elkaar weerspiegelende en aldus een oneindig perspectief creërende maar tegelijk ook vervreemding in de hand werkende spiegels waarmee de wanden van het zijkamertje zijn aangekleed. Saint-Loup en zijn aanbeden snol blijken zich inmiddels te hebben overgegeven aan alweer een totaal andere stemming: ongegeneerd geminnekoos, het genot van oosterse rookwaar en overgave aan de champagne. Even vraagt Marcel zich af of Legrandin hem niet zou berispen omdat hij zijn tijd aan het verbeuzelen is, maar wanneer hij van Rachel een coupe, een roos en een sigaret krijgt aangeboden, besluit hij: ces heures passées auprès de cette jeune femme ne sont pas perdues (171:4-5). Daarmee is het ingebeelde bezwaar van Legrandin nog niet volledig weggeredeneerd want Marcel voegt er aan toe wat hij denkt: parce qu’il me semblait que c’était douer d’un caractère esthétique, et par la justifier, sauver ces heures d’ennui (171:8-10). Met andere woorden: als je er de schoonheid van kunt inzien, als je er een esthetische kwaliteit aan kunt verlenen, is zelfs verloren tijd geen verloren tijd, dan is de verloren tijd gered en dus niet verloren! Voorwaar de Recherche in een notendop.

Geen opmerkingen:

geen verloren tijd


*