een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

31 mei 2019

geen verloren tijd (132)


II:192-203



Mme de Villeparisis pakt uit met herinneringen aan soirées in tijden toen men wél nog, in tegenstelling tot nu, wist wat goede manieren waren en nauwgezet de regels van het protocole réglant les visites royales (193:28) kende en navolgde. Ze vertelt ook hoe flauw ze de practical joke van haar neef Basin vond, die in plaats van zichzelf te laten aandienen, liet zeggen que c’était la reine de Suède qui demandait à me voir (193:34-35). Uiteraard is het gehoor van Mme de Villeparisis onder de indruk van het feit dat royals zich blijkbaar verwaardigen om haar salon aan te doen! Terwijl Mme de Villeparisis eigenlijk niets anders doet dan toetsen of wat ze toevertrouwt aan haar Memoires, die ze met de hulp van haar archivaris aan het schrijven is, overkomt bij un public moyen, représentatif de celui où se recruteraient un jour ses lecteurs (194:8-9).

Uiteraard speelt in de redactie van deze Memoires de selectie van wie er wel en niet in ter sprake wordt gebracht een belangrijke rol: het gaat erom een impression maximum d’élégance (194:21-22) na te streven. In dat opzicht is l’amitié des rois, des chefs du peuple, des hommes illustres (194:34-35) uitermate belangrijk. Er dient dus aardig te worden opgeschept over bezoekers van het eigen salon – in die context komt in deze passage de componist Frans Liszt ter sprake. Eventueel kunnen de herinneringen zelfs lichtjes ‘geretoucheerd’ worden in functie van het streven om het eigen salon als het meest memorabele voor te stellen, memorabeler in elk geval dan bijvoorbeeld het salon van Mme Leroi, die haar gasten laat pokeren of komediestukjes opvoeren, in plaats van gesprekken te voeren over belangwekkende filosofische onderwerpen, iets waaraan bij Mme de Villeparisis niemand ontsnapt.

De Verteller (Marcel/Proust) vraagt zich enigszins boosaardig af quelle aventure galante, quelle outrecuidance sacrilège (196:28-29; ‘welk liefdesavontuur, welke heiligschennende overmoed’) ertoe geleid zou kunnen hebben dat de drie met Mme de Villeparisis concurrerende salons tot de mindere status hebben gebracht waarmee ze het nu moeten stellen. Via-via verneemt hij dat het ‘wangedrag’ van deze dames destijds werkelijk buitenmaats moet zijn geweest, proportionné à la grandeur des époques antéhistoriques, à l’âge du Mammouth (197:13-14).

De Duchesse de Guermantes betreedt het salon. Mme de Villeparisis groet haar nicht schier achteloos. De hertogin groet Marcel, maar let er al even goed op dat niet al te nadrukkelijk te doen omdat ze hogergeplaatst is: het komt erop neer dat lagergesitueerden worden gegroet alsof ze er niet zijn. Ook Legrandin komt nu binnen. Hij heeft zichzelf al vijf keer aangediend en dit keer kan Mme de Villeparisis hem niet nog eens buiten laten staan. Legrandin put zich uit om bij Mme de Villeparisis in het gevlei te komen en zorgt er tegelijk voor om ver bij Marcel, die met Bloch aan het praten is, vandaan te blijven.

Mme de Villeparisis verklapt aan Mme de Guermantes dat Legrandin de broer is van Mme de Cambremer. Voor haar heeft Mme de Guermantes geen goed woord over: ze noemt de zus van Legrandin een grosse femme en hekelt haar taalgebruik. Zo zou ze een schrijver bedoelen als ze plumitif zegt. Mme de Villeparisis snapt het niet en Mme de Guermantes moet het uitleggen: un plumitif c’est un écrivain, c’est quelqu’un qui tient une plume (203:20-21).

31 december 2018

geen verloren tijd (131)


II:183-192

Mme de Villeparisis vermeit zich met lieden van aan lagerwal aangespoelde adel. Zij ontvangt in haar salon un public de troisième ordre, bourgeoisie, noblesse de province ou tarée [‘provinciale of tanende adel’] (184:5-6). ’t Is in elk geval heel wat minder soeps dan de kringen van Mme de Guermantes. Deze verlaagde status heeft Mme de Villeparisis te danken aan haar rijke palmares van avontuurtjes en alliances. Dat zij nu de deugdzaamheid predikt, kan niet verhinderen dat de schandaalsfeer rond haar fijnzinnig sprekende – nuançant si délicatement non seulement les expressions mais les intonations (184:35-36) – en welgemanierde persoontje nog niet geheel is opgetrokken. Het paradoxale is bovendien dat wie qualités assez peu exaltantes, comme la pondération [evenwichtigheid] et la mesure (185:10-11) predikt, als het ware ook hun tegendelen moet kennen, en die kennis kan enkel in de praktijk en dus in een discutabele levenswandel zijn verworven. Eventueel in het gezelschap – zoals Mme de Villeparisis in Balbec heeft gedaan – van kunstenaars, zonder daarom hun beweegredenen en verwezenlijkingen te begrijpen, welteverstaan.

Maar Mme de Villeparisis is geen gewone snob. Die ketst hoe dan ook altijd af op de buitenkant van wat binnenin getormenteerd is en eventueel verdorven. In het oog van de gewone snob kan de intelligentie en het inzicht van de kunstenaar niets anders dan prétention pure (185:25) zijn. Mme de Villeparisis echter heeft memoires geschreven. En om te schrijven op een manier die het ambacht dat nodig is om de boeketreeks aan te vullen overstijgt, merkt Proust op (en hij kan het weten), moet je toch minstens een benul hebben van datgene wat de snob ontgaat. Het echte schrijven vergt une dose de sérieux dont une personne purement frivole serait incapable (186:2-4). Het onttrekt zich zelfs aan de sociale druk, die altijd in acht moet worden genomen bij het bestijgen van de maatschappelijke ladder. De schrijver geeft al eens toe aan ‘een bepaalde nieuwsgierigheid’, aan le désir d’aller ici ou là pour son propre plaisier, et non en vue de l’accroissement, du maintien, ou pour le simple fonctionnement des relations mondaines (185:35-38). De schrijver is met andere woorden – tot op zekere hoogte – een nonconformist. En het is door dat nonconformisme, dat Mme de Villeparisis soms mensen onder haar status heeft doen frequenteren, dat ze haar aanzien is kwijtgeraakt. Hoewel, dat is natuurlijk ook relatief want statusverlies wordt niet door iedereen opgemerkt: veel gasten op de salons van Mme de Villeparisis zijn ook haar lezers en nemen klakkeloos de indruk over die de schrijfster, tevens regisseuse, van haar memoires hun wil opspelden.

Een van de gasten die Marcel aantreft bij Mme de Villeparisis is zijn oude vriend Bloch – en dit ondanks het feit dat het, in het licht van de op gang komende Dreyfusaffaire, stilaan statusverlagend is om zich met joden op te houden. Overigens trekt Mme de Villeparisis zich er niet te veel van aan en is Bloch, als weinig aanzienlijke jood, nog niet meteen bedreigd – ook al doet hij niet echt zijn best om zijn joodsheid te verbergen: Bloch, que personne ne connaissait, pouvait passer inaperçu, alors que de grands Juifs représentatifs de leur parti étaient déjà menacés (190:11-13). Proust juicht het overigens toe dat vreemde volkeren hun uiterlijke verschijning niet aanpassen aan de Parijse smaak: op die manier zorgen ze voor een bijna mysterieuze, spiritistische of ‘mediamieke’ aanwezig-stelling (un effort médiumnimique (191:24)) van de vreemdheid zoals we die kennen van antieke schilderingen of Griekse vazen. En dan is het des te verwonderlijker dat ze, zoals Bloch, banale dingen zeggen als « Qu’on fasse attention à mon chapeau haute forme. » (192:4-5)

Toch is Bloch op zijn qui-vive want wanneer M. de Charlus, ook aanwezig, informeert naar zijn voornaam, om, puur uit goedaardige belangstelling, par curiosité esthétique et amour de la couleur locale (191:2-3), te weten of die al even joods klinkt als zijn familienaam, bespeurt hij, Bloch dus, daar toch een blijk van antisemitisme in.

02 november 2018

geen verloren tijd (130)

II:172-183

We bevinden ons – zonder overgang! – in het theater. Via Marcel bekijkt Proust het op prepostmoderne wijze: niet de inhoud van de zorgvuldig uitgesproken en gespeelde frasen interesseert hem, het zijn de acteurs-zélf die zijn aandacht opeisen: hoe ze bijvoorbeeld, terwijl ze elkaar in het stuk dat ze spelen de liefde verklaren, ondertussen een knipoog werpen vers une vieille dame assise dans une loge voisine (172:30-31). Het gaat hem om de frictie die ontstaat tussen de efemere waarheid van het gespeelde stuk en de actuele en blijvende waarheid van het spelen van het stuk in de theaterzaal en van alle interacties die zich tussen spelers en publiek afspelen.

Een van de onderdelen van het programma vindt Marcel extrêmement pénible (173:10-11). Een debuterende zangeres wordt door enkele complotterende toehoorders, Rachel op kop, in de grond geboord. De theaterdirecteur redt haar door voortijdig het doek te laten zakken. Marcel vindt deze actie wreed en kwaadaardig, maar zegt er achteraf niets van omdat hij zich schaamt dat hij op het moment zelf de moed en het vermogen miste om in te grijpen.

Rachel laat zich hier niet van haar beste kant zien, beseft Marcel. Maar door dit incident begrijpt hij ook dat er een groot verschil bestaat tussen de niet zo gunstige indruk die hij van Rachel heeft en de indruk die zij, ook op het toneel, heeft weten te maken op Saint-Loup. Het toeval hielp Saint-Loup toen een handje bij het leggen van een eerste contact. Zo kon het gebeuren – ondanks de contingentie die de hele ontmoeting kenmerkte – dat Saint-Loup vrij snel nadat Rachel voor hem slechts une apparition fortuite, inconnue, indifférente, sur les planches de la scène (175:43-176:1) was, al van haar hield en toutes ces chances de bonheur (175:42) op haar inzette – inderdaad zoals iemand aan de speeltafel al zijn jetons naar een bepaald nummer laat harken door de croupier.

Na de voorstelling stapt Marcel met Saint-Loup het podium op. Hij weet niet goed welke houding hij zich daar moet aanmeten (of welke rol hij er moet spelen) en begint daarom een gesprek met zijn vriend over hun overhaaste en onpersoonlijke afscheid in de kazerne. Saint-Loup maakt duidelijk dat hij, hoewel zijn afscheidsgebaar een onpersoonlijke militaire groet was geweest, zijn vriend wel degelijk had gezien. Maar hij speelde op dat ogenblik nu eenmaal de rol die hij als militair te spelen had. Marcel beseft: comme un parfait comédien, il pouvait dans sa vie de régiment, dans sa vie mondaine, jouer l’un après l’autre des rôles différents (176:34-36) – en dat er in die rollen wel degelijk plaats was voor een diepe liefde, zoals die tussen broers kan bestaan. Dat denken over rollen is voorwaar een goed onderwerp om op een bühne te bespreken! Een plek overigens waar de decorstukken, van dichtbij gezien en zonder de nodige belichting, al hun bekoring hebben verloren – wat ook kan gezegd worden van het gezicht van Rachel, waarop nu alle poriën en rimpels te zien zijn.

Tussen de andere met de actrices bevriende mannen ontwaart Marcel een verwijfd gesticulerende en opzichtig opgetutte danser. Saint-Loup is er meteen voor beducht dat Rachel te veel aandacht voor deze jongeman zou kunnen opvatten. Hij maant haar aan haar kleedkamer op te zoeken. Maar Rachel kan haar ogen niet van de danser afwenden, die uiteraard haar blik voelt en daarom, met fladderende handjes, nog een extra danspasje oefent. Saint-Loup en Rachel beginnen te kibbelen. Zij zegt helemaal niet geïnteresseerd te zijn in het dure halssnoer dat hij haar heeft beloofd: Je m’en fous de ton collier (178:37-38), bijt ze hem vulgair toe. In zijn verslag van dit weinig hoogstaande gekibbel ziet Proust de kans om uitweidingen in te lassen over de Dreyfus-affaire en – in een voetnoot! – het conflict tussen Engeland en Ierland. Rachels wreedheid, aldus Proust, is nullement en rapport avec ses vrais sentiments d’affection pour Saint-Loup (179:39-40), die op zijn beurt dreigt haar te laten zitten, al was het maar omdat le tourment [de pijn] de quitter sa maîtresse lui semblait-il moins cruel que celui de rester près d’elle dans certaines conditions (180:6-8). Ondertussen mag een journalist, die weigert in te gaan op Saint-Loups bede zijn sigaar te doven (waarvan de rook, zo vreest Saint-Loup, Marcel zou kunnen hinderen), Saint-Loups frustratie incasseren in de vorm van une gifle retentissante (180:40). Marcel vreest dat er een vechtpartij zal ontstaan waarin ook de collega’s van de journalist zich zullen mengen, maar journalisten blijken weinig solidair en het incident koelt zonder blazen.

Beide vrienden verlaten het theater. Op straat gaat Saint-Loup nogmaals op de vuist, dit keer met een man die hem blijkbaar oneerbare voorstellen deed – en dat en plein jour, dans un quartier central de Paris (183:13-14)! Marcel is overigens niet van oordeel dat de klappen die Saint-Loup uitdeelt diens belager tot betere zeden zullen nopen.

Saint-Loup is desalniettemin van zijn melk en vraagt daarom zijn vriend om alleen naar Mme de Villeparisis te gaan. Hij zal dan wel later zijn opwachting maken.

geen verloren tijd


*