een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

08 juni 2013

Rondom Mme Swann


De in de Pléiade-editie slechts 44 bladzijden tellende tekst Noms de pays: le nom is eigenlijk meer een prelude op Autour de Mme Swann, het eerste deel van À l’Ombre des jeunes filles en fleurs, dan een epiloog van het eerste grote deel, Du Côté de chez Swann – zoals het, na Combray en Un amour de Swann, wordt gepresenteerd. Dat zal wel iets te maken hebben met de ingewikkelde totstandkomingsgeschiedenis van de Recherche (die ik graag overlaat aan de proustologen). Hoe dan ook, het is opvallend hoe in die korte epiloog als in een notendop enkele belangrijke thema’s van het vervolg worden aangekondigd, veeleer dan dat er wordt gereflecteerd op het voorafgaande. De gebeurtenissen waarin Gilberte, Bergotte en Mme Swann een hoofdrol spelen, komen hier allemaal al ter sprake. Ook de ideeën die in Autour de Mme Swann omstandiger zullen worden uitgelegd, worden al een eerste keer aangeraakt: hoe verwachtingen altijd te hooggespannen zijn; hoe de dingen en personen altijd met emoties, vaak erotisch gekleurde emoties, worden bezet (bezield of geanimeerd); hoe de herinnering uiteindelijk altijd échter blijkt, en in elk geval duurzamer, dan de werkelijkheid ooit is geweest.

Hoe verder ik in de Recherche vorder – het is bijna ontstellend, en tegelijk ook geruststellend, te moeten vaststellen dat ik, nu ik Autour de Mme Swann heb gelezen, plusminus een vijfde achter de kiezen heb – hoe meer ik ervan overtuigd ben dat Proust zich van stiel vergist heeft. Ik weet dat dit een beetje provocatief klinkt maar ik bedoel het niet oneerbiedig want ik ben uiteraard vol bewondering voor Prousts weergaloze taal en stijl en ambitie. Maar Proust lijkt mij in de eerste plaats een filosoof, een schrijver van filosofische bellettrie. Proust had eigenlijk een uitgewerkte kunstfilosofie moeten schrijven. Hij schreef de Recherche – ook niet mis en als hij dat waanzinnige project werkelijk helemaal tot het eind had kunnen voeren (en daarbij het overzicht had kunnen bewaren), zou het pas echt een bovenmenselijke prestatie geworden zijn – maar hij had wellicht beter een esthetica geschreven, een kunstfilosofie: om daarin uit te leggen hoe de moderne mens zijn leven vanuit het persoonlijke gevoel en de (herinnering aan) doorleefde ervaringen met betekenissen aankleedt en zin probeert te geven. Zoiets.

Autour de Mme Swann kun je, zoals de andere boeken van de Recherche en zoals alle goede boeken, op verschillende manieren lezen. ‘Voor het verhaal’ is veruit de minst interessante manier. Want, ochgot, wat gebeurt er eigenlijk in die 230 bladzijden? Marcel – zoals ik gemakshalve de verteller noem – ontloopt, door voor het schrijverschap te kiezen, de diplomatieke carrière waartoe zijn vader hem had voorbestemd. Marcel gaat naar het toneel en Marcel wordt ziek. Marcel forceert zich een toegang tot het huis van Mme Swann en gaat daar vaak op bezoek. Marcel heeft een tijdje een – licht erotisch geladen – vriendschap met Mme Swanns dochter Gilberte en geraakt daar maar zeer moeizaam van los. Marcel gaat naar de hoeren. Marcel leert dat herinneringen aan poëtische momenten duurzamer zijn dan herinneringen aan momenten waarop het hart bloedt. Op die troostrijke gedachte overigens is het Autour de Mme Swann eindigt.

Maar er is veel meer dan alleen maar het verhaal. Nu ja, het is niet eens een verhaal; het is een aaneenschakeling van een paar weinig spectaculaire handelingen.

In Autour de Mme Swann presenteert Proust een sociologie van een nog gedifferentieerde klassenmaatschappij en een inventaris van de door hypocrisie, pluimstrijkerij en opportunisme gedomineerde omgangsvormen daarin. (Die klassemaatschappij beleeft haar nadagen, zo blijkt uit de slotparagraaf waarin Proust vanuit een niet nader omschreven – wellicht naoorlogse – toekomst terugblikt.) In Autour de Mme Swann kaart Proust met wellustige ironie en bij momenten zeer humoristisch het gemak aan waarmee de waarheid wordt geslachtofferd op het altaar van sociale status en prestige. In huize Swann treft Proust – via zijn ‘held’ Marcel – hiervoor een ideaal laboratorium want door zijn huwelijk met de cocotte Odette heeft Charles Swann, verblind door de liefde, aan status ingeleverd. Het spreekt voor zich dat zijn transgressie van de sociale scheidslijn tussen – in dit geval – de bloedadel en de bourgeoisie behoorlijk wat onrust veroorzaakt in de omgeving. Karaktereigenschappen en omgangsvormen die in de ene sociale laag deugdelijk zijn, zijn het in de andere niet – bij promotie of degradatie kun je daar maar beter rekening mee houden. Hoe dan ook is, in alle lagen, de leugenachtigheid die alle boodschappen doordrenkt constant: er is altijd een onderscheid tussen de inhoudelijke, eventueel verifieerbare boodschap en de intentie, de bedoeling. Ook de handelingen zijn niet gespeend van hypocrisie. Zo worden bijvoorbeeld de salons gefrequenteerd allerminst omdat daar interessante gesprekken worden gevoerd – Proust is een meester in het evoceren van onbenullige gesprekken – maar omdat het belangrijk kan zijn om toegelaten te worden tot een hoger gekwoteerd salon. Op die manier ontstaat een soort van economie van de status, waarbij een (frequentie van) aanwezigheid of een verontschuldiging voor een of andere salonbijeenkomst als pasmunt fungeert in de meedogenloze en zeer concurrentiegevoelige rush naar hoger aanzien.

Uiteraard spelen mode en smaak in dit sociale spel een belangrijke rol. Je kunt maar beter niet goed vinden wat iemand die op de sociale ladder een lagere sport inneemt wel goed vindt – en vice versa. Interieurs, kleding, omgangsvormen op de promenades in het Bois de Boulogne (waar het zien en gezien worden uiteraard veel belangrijker zijn dat de lichaamsbeweging of de frisse lucht): al die materiële zaken vormen samen een ingewikkelde semantiek van prestige en aanzien. Proust analyseert het allemaal genadeloos en met een grote kennis van zaken.

Bovenal biedt Autour de Mme Swann een dissectie van de liefde – en zoals dat met dissecties gaat: van het studieobject blijft weinig heel.

Liefde, en zeker verliefdheid, is een ziekte waarvan je moet genezen. Of toch minstens moet proberen tijdelijk te genezen want liefde is een steeds terugkerende kwaal. Dat is zowat de grondtoon – geen wonder dat Proust herhaaldelijk metaforen betrekt uit de medische wetenschap en de farmaceutiek. De verliefde fokt zichzelf zodanig op met geïdealiseerde voorstellingen van het geliefde ‘object’ dat het wel niet anders kan dan op een teleurstelling uitlopen. Liefde is een puur subjectieve aangelegenheid: de verliefde creëert een fictief personage dat louter en alleen in de naam dezelfde is als het geliefde ‘object’. Let wel, het gaat niet in de eerste plaats, laat staan uitsluitend, om een seksueel verlangen: seks lijkt bij Proust niet veel meer dan een bewustzijnsvernauwende fysiologische kramp, een spanning die in de ontlading de noodzakelijke voorwaarde vindt op opnieuw met ruimere blik de werkelijkheid tegemoet te treden. Het stelt allemaal niet veel voor, de partners bij wie deze ont-spanning kan worden verkregen zijn verwisselbaar. De schier achteloze passages die Proust aan prostitutie wijdt, maken dit overduidelijk.

Neen, het gaat over liefde. Amour. Daar ging het al over in Un Amour de Swann, waar de liefde vooral door jaloezie leek te worden aangedreven. (Nu zien we dat Charles Swann, getrouwd en wel met de Odette die zijn hart zo op hol deed slaan, over de seksuele verblinding (volupté) heen is, er een maîtresse op na houdt, en zelfs helemaal niet meer geïnteresseerd is in wat Odette daarvan denkt. En hij ziet ook niet bepaald nauwlettend toe op de manier waarop zij de mannen rond haar vinger draait.) In Autour de Mme Swann gaat het niet om jaloezie, neen, hier wordt de liefde veeleer in haar tragische aspect belicht. De verliefde zoekt in zijn ‘object’ altijd méér dan wat zich aandient – en hij verlangt meteen naar dit méér. Daardoor wordt zijn verliefdheid vertroebeld. Liefde is nooit zuiver. De vervulling is hoe dan ook altijd precair. Het genot kan tijdelijk het lijden om die precariteit compenseren – maar het genot is per definitie tijdelijk. Wanneer het genot, lees de seksuele vervulling, is uitgewerkt, wordt de liefde een wrede aangelegenheid (atroce).

Autour de Mme Swann is, ver voorbij het verhaal, de sociografie en de kijk op het mechaniek van de liefde, vooral een raamwerk waarin Proust een wereldvisie, een visie verraadt op het leven, waarvan alle facetten en elementen op een duizelingwekkende manier aan het schuiven gaan, waarin niets nog vastligt, waarin de mens, als pover en – inderdaad – ziek individu, eenzaam en hulpbehoevend en hunkerend naar een moederlijke avondkus, overgeleverd is aan de immense taak om zin te vinden en de dood te aanvaarden. Niet de feitelijke dood, in de zin van het levenseinde, maar de dood die binnensluipt in ons dagelijkse streven, in alles wat we een belang toedichten omdat dat belang altijd tijdelijk blijkt: de intensiteit waarmee we onze doelen aanvankelijk bezetten, wordt ondermijnd door verzadiging, gewoonte, sleur, walg, het vergeten.

Hoe kan het individu zich nu bevrijden uit deze helse rondgang van verlangen naar vervulling en teleurstelling? Proust is hierover duidelijk: door onverschillig te worden. Of: te kiezen voor berusting­ (résignation). Beter dan zich in die cirkel van onvervulbaarheid en zich steeds herhalende tijdelijkheid te begeven, kan men zich overgeven aan de herinneringen aan een nog niet bezoedelde, paradijselijke liefde.

Op deze manier krijgen wij, vanuit het werk zelf, een inzicht in wat Proust, schrijvende aan de Recherche, eigenlijk doet: hij heeft het uitzichtloze rondrennen in het rad van de opeenvolgende verliefdheden achter zich gelaten, is geresigneerd, en laaft zich aan de met behulp van de verbeelding aangedikte en op smaak gebrachte herinneringen aan een paradijselijk verleden, un merveilleux âge d’or. Uiteraard dienen we hierbij te bedenken dat Proust een homoseksueel was, en dat hij daardoor in zijn tijd bijna per definitie met onvervulbaarheid af te rekenen kreeg. Met onuitspreekbaarheid ook; de liefdes van ‘Marcel’ zijn heteroseksueel – al is er hier en daar wel een problematisering van het gender, bijvoorbeeld wanneer Marcel droomt van een jongen, die dan Gilberte blijkt te zijn.

De Recherche in het algemeen, en Autour de Mme Swann in het bijzonder, brengt een demasqué van ongeveer alles wat in het ‘gewone leven’, vóór de resignatie, belangrijk werd geacht. Het sociale leven wordt gekenmerkt door leugenachtigheid en opportunisme. Esthetische voorkeuren zijn sociaal bepaald. En liefdes blijven nooit duren. Op een dag is de fascinatie weg. Dan rest enkel de herinnering, niet deze die kan worden opgeroepen op commando van één-twee-drie, maar de herinnering die je ongevraagd en onwillekeurig overvalt, la mémoire involontaire die,omdat ze zo onverhoeds is, zo krachtig is dat ze je meesleurt naar een vorige levensfase waarin het geluk nog onbezoedeld en onverwelkt was. In Autour de Mme Swann komt dit proustiaanse madeleinemechaniek ook voor, en wel in de vorm van de weeë geur die Marcel opsnuift in een openbaar toilet op de Champs-Elysées en waardoor hij wordt meegevoerd naar het Combray van zijn kindertijd, waar diezelfde muffe geur van schimmel in het huis van oom Adolphe die hele, verloren gewaande, wereld van zorgeloosheid, zomerse wandelingen en ontluikende erotiek representeerde. Aan die herinnering is een gevoel van groot en evident geluk verbonden.

Dit soort ervaringen, dat is waar het in het leven écht om draait. Zelfs een muffe geur in een beschimmelde wc kan tot hogere toppen leiden dan de meest verheven gedachtegang. Maar je moet bereid zijn dit te ondergaan want dergelijke ervaringen kun je niet afdwingen. Je moet, om de werkelijkheid verdraaglijk te houden, bereid zijn je uit te leveren aan een soort van genade, ook al gaat het tegen elke logica in: Nous sommes tous obligés, pour rendre la réalité supportable, d’entretenir en nous quelques petites folies (591:37-39).


Is dit een minimalistisch programma? Zeker en vast. Maar het kan genoeg zijn: seks, schilderkunst, muziek, kunst en kunstreizen, er zijn genoeg bronnen van genot en zingeving om een leven te vullen, hoe gedesillusioneerd men ook moge zijn. Want inderdaad: het geluk is een onmogelijk te bereiken doel. Na de vervulling wacht een nieuw verlangen. Het geluk om de vervulling is altijd tijdelijk, ja, geluk is een impossibilité psychologique (625:5). Je kunt daar om treuren, maar weet dan dat ook die pijn tijdelijk zal zijn: la permanence et la durée ne sont promises à rien, pas même à la douleur (631:1-3). En het goede nieuws is dat de goede herinneringen, de herinneringen aan poëtische ervaringen, duurzamer zijn dan die aan pijn.

Geen opmerkingen:

geen verloren tijd


*