een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

01 juni 2013

geen verloren tijd (68)

I:597-608

Marcel is niet de enige bezoeker bij Mme Swann. Mme Cottard, de doktersvrouw, legt uit waarom zij een paar weken niet is kunnen komen: ze heeft, net zoals iedereen op tijd en stond, haar petites misères (597:7) gehad. En bovendien heeft ze problemen met haar personeel. Mme Bontemps se plaignait de l’ennui que lui causaient les femmes des hommes politiques (598:1-2) – maar ja, zij vindt zowat iedereen assomamant (‘oervervelend’) et ridicules (598:3). Zij brengt haar nichtje Albertine ter sprake – het is de tweede keer dat wij iets van haar vernemen. Dat nichtje is niet op haar mondje gevallen, blijkt uit de anekdote van Mme Bontemps. Ondertussen antwoordt Mme Cottard op een opmerking van Mme Swann. 

En zo praten de dames door elkaar heen. Tot Charles Swann binnenkomt, feignant par plaisanterie la peur de déranger (599:30-31). Hij vraagt zijn echtgenote of ze zo goed zou willen zijn le prince d’Agrigente (599:32) te willen ontvangen. Dat is geen probleem. Terwijl Swann de prins gaat ophalen, betreedt Mme Verdurin het salon.

Toen Charles en Odette trouwden, had Charles Odette gevraagd le petit clan (599:43) van Mme Verdurin niet meer te bezoeken – om schier ondoorgrondelijke redenen van status en dergelijke. Dat is ook de reden waarom hij zich niet laat zien nu Mme Verdurin bij Odette langskomt. Odette doet geringschattend over Mme Verdurins kringetje, dat qua status een afdeling lager speelt – hoewel zij secrètement Mme Verdurin benijdt omwille van haar vaardigheden als salon-houdster, waaraan zij, Mme Verdurin, zoveel belang hecht bien qu’ils ne fassent que nuancer l’inexistant, sculpter le vide; het zijn, zo te zeggen, les Arts du Néant: l’art (…) de savoir ‘réunir’, de s’entendre à ‘grouper’, de ‘mettre en valeur’, de ‘s’effacer’, de servir de ‘trait d’union’ (601:21-26).

In de evocatie van Mme Verdurins aanwezigheid in Mme Swanns salon en enkele flarden van de gesprekjes die zich daar afspelen (in dit geval gaat het over bloemen en bloemenleveranciers en de manier waarop je het best chrysanten kunt schikken), spant Proust zich in om vooral de kruiperige hypocrisie en het voortdurend naast elkaar heen praten in de verf te zetten. Niet één woord is niet gericht op statusonderhoud of statusverbetering; de inhoud van de gesprekken doet er werkelijk niet toe. Mme Bontemps bijvoorbeeld is heel blij dat ze uitgenodigd is om op woensdag naar het salon van Mme Verdurin te komen – hoewel ze nochtans cent fois gezegd had qu’elle ne voulait pas aller chez les Verdurin (603:18-19). Ze is al vooruit aan het berekenen welke en hoeveel woensdagen ze zal gaan want alle woensdagen haar opwachting maken in dat niet zo hoog aangeschreven kringetje zou haar imago te zeer schaden. En zo worden de aanwezigheden – die overigens zeer nauwgezet worden bijgehouden – een soort van pasmunt om te stijgen of te dalen op de sociale ladder. Dat verklaart waarom, wanneer Mme Bontemps aanstalten maakt om te vertrekken, Mme Swann kan zeggen: Vous me devez une compensation pour n’être pas venue jeudi dernier… (603:42-43)

Het gesprek kabbelt verder. Het gaat over leveranciers van delicatessen, over de omvang van de hoeden van Mme Trombert, over wie er allemaal de volgende woensdag naar Mme Verdurin gaat. Het is een en al door-elkaar-gekwebbel en pluimstrijkerij. Hilarisch wordt het wanneer Odette zegt helemaal niet zo intelligent te zijn als van haar wordt gedacht dat ze is – maar dan zegt ze pas helemaal het omgekeerde van wat ze eigenlijk bedoelt: Mais non, je vous assure (…) je suis au fond une petite bourgeoise très choquable, pleine de préjugés, vivant dans son trou, surtout très ignorante. (604:39-41) Uiteraard weten alle aanwezigen hoeveel ironie deze uitlating bevat en hoe hem te decoderen.

De normale wet – Proust weidt op zijn geheel eigen, zwaar ironisch aangezette, pseudowetenschappelijke wijze aan het fenomeen van het salon een wat algemenere beschouwing – zegt que les mérites spirituels d’un salon et son élégance soient généralement en rapport inverses plutôt que directs (606:5-7; ‘omgekeerd en niet recht evenredig’). Maar toch is het zo dat een sociale degradatie tot gevolg heeft dat men minder kieskeurig wordt ten aanzien van diegenen met wie men zich anders, wanneer de status wel nog moet worden verdedigd, verplicht is goed op te schieten. Daar schieten de goede omgangsvormen een beetje bij in, wat de antropoloog van de betere kringen Proust doet besluiten: les hommes doivent, comme les peuples, voir leur culture et même leur langage disparaître avec leur indépendance (606:11-13). Dat is de reden waarom men zich, bij ‘degradatie’, de vleiereien laat welgevallen van personen die men in hogere kringen niet eens zou hebben zien staan.

En het gesprek, voorzover het er een is, kabbelt nog steeds verder: over het feit dat dokter Cottard la lecture als passie heeft – als het maar die passie is, wordt er gegniffeld –; over het feit dat Mme Verdurin elektrische verlichting heeft in haar huis, ja, er is zelfs een belle-soeur d’une de mes amies (607:16) die al telefoon heeft! Een van de dame die nog geen telefoon heeft, bekent nieuwsgierig te zijn naar het nieuwtje, maar wuift de verleiding hautain weg: Le premier amusement passé, cela doit être un vrai casse-tête. (607:22-24) Ja, je kunt het vooruit berekenen dat als al dat gekwebbel en geroddel over de telefoon zou moeten gebeuren, dat ding een bedreiging zou vormen voor deze microkosmos van wederzijdse salonbezoekjes.


Uiteindelijk moet ook Marcel het salon verlaten. Hij is wat onbevredigd, maar hij heeft zijn doel bereikt: Gilberte zal vernemen dat hij er is geweest en dat hij een goed contact heeft gehad met Mme Verdurin. Alle bruggen zijn nog niet opgeblazen. Hoewel hij heeft laten uitschijnen dat hij Gilberte definitief niet meer wil zien, neemt hij zich toch voor wél in te gaan op de volgende afspraak. Pour me rendre la séparation moins difficile à réaliser, je ne me la présentais pas comme définitive. Mais je sentais bien qu’elle le serait. (608:18-20)

Geen opmerkingen:

geen verloren tijd


*