een lectuur van

A LA RECHERCHE DU TEMPS PERDU

van Marcel Proust


(ik gebruik de Pléiade-editie van 1954, toen nog driedelig - zoals een maatpak)

17 mei 2013

geen verloren tijd (62)


I:525-536

Marcel mag nu niet alleen aan de theevisites bij de Swanns deelnemen, hij mag ook mee op wandel of naar matineevoorstellingen. En hij wordt regelmatig uitgenodigd voor de lunch. Dan komt hij ruim op tijd aan, geniet van de tegenstelling tussen winterse kou buiten en het al voorgenieten van de behaaglijke warmte binnen, wordt door een eerste, en een tweede, en een derde dienaar opgevangen, wacht een tijdje en compagnie d’orchidées, de roses et de violettes (527:8-9) en wordt uiteindelijk door M. Swann opgevangen – Mme Swann is alweer te laat, nog niet terug van haar wandeling in de Bois of haar bezoek aan de naaister. Swann toont Marcel de nieuwste aanwinsten in zijn kunstcollectie, maar Marcel heeft zo’n honger dat: La Joconde se serait trouvée là qu’elle ne m’eût pas fait plus de plaisir qu’une robe de chambre de Mme Swann, ou ses flacons de sels. (528:4-6) Het wachten, de honger, de lakeien en de aankondigingen doen Marcel reikhalzend uitkijken naar de intrede van Mme Swann, maar haar aankomst – eindelijk! – ne tenait pas les promesses prodiguées dans l’attente à mon imagination (528:18-19).

Soms wordt er na het eten niet uitgegaan, en dan stellen de gesprekken Marcel steevast teleur. Of soms verdwijnt Gilberte in een voor Marcel tot dan toe verborgen gebleven gedeelte van het huis. Dan probeert hij, door aan M. Swann vragen te stellen, over dit verborgene meer aan de weet te komen. Swann slaagt erin bij Marcel une de ces affreuses distances intérieures weg te nemen au terme desquelles une femme que nous aimons nous apparaît si lointaine (529:12-14). Grappig, of bizar, hoe Proust hier het kind Marcel liefdeswijsheid opdringt die, denk ik toch, normaal gezien enkel een volwassene en al door het leven beproefde aan de dag kan leggen. Van de weeromstuit vat Marcel voor Swann een genegenheid op que je crus plus profonde que ma tendresse pour Gilberte (529:14-15). Toch is het Gilberte die hij liefheeft, en bijgevolg – alweer zo’n door het leven gelouterde wijsheid – kon hij haar niet zien sans ce trouble, sans ce désir de quelque chose de plus, qui ôte, auprès de l’être qu’on aime, la sensation d’aimer (529:19-21): het gevoel lief te hebben wordt vertroebeld, in zekere zin uitgewist, door het verlangen naar méér. En precies dát is de liefde, die dus altijd tragisch is.

Vooraleer uit te gaan, speelt Mme Swann piano. Zij doet dat met cette même mélancolie qui était dans ses yeux et n’était pas dans son coeur (529:28-29). Zij doet dat dus op de manier zoals in deze kringen de meeste zaken worden aangepakt: hypocriet. Op een dag speelt zij de sonate van Vinteuil waarin het stukje voorkomt dat Swann zo mooi vindt (zie aflevering 30).

Hier volgt een hele beschouwing over muziekbeluistering. De eerste keer kun je iets niet echt horen omdat dan de herinnering zijn werk nog niet kan doen. Je hoort een muziekstuk pas echt als je het herkent. Probablement ce qui fait défaut, la première fois, ce n’est pas la comprehension, mais la mémoire. (529:41-42) Het is vreemd hoe het geheugen, bij het beluisteren van muziek, altijd eerst les parties les moins précieuses (530:23) onthoudt. Pas wanneer de gemakkelijke stukken, die we meteen mooi vinden omdat ze het best aansluiten bij wat we al kennen, in zekere zin baan hebben geruimd, kunnen we doordringen tot de moeilijkere delen. Naarmate wij daarvoor meer tijd nodig hebben, zullen we ze ook langer graag horen: nous l’aimerons plus longtemps que les autres, parce que nous aurons mis plus longtemps à l’aimer (531:14-16). Het lijkt wel alsof de investering die we erin doen moet renderen. 

Doordat de muziekstukken zich maar moeizaam aan ons openbaren, lijkt de kennis ervan omhuld door een zekere melancholie. En voorzover de sonate zich slechts stukje bij beetje openbaart, kan Proust stellen: elle ressemblait à la vie (530:43). Maar hij haast zich eraan toe te voegen dat sonates niet zo teleurstellend (décevants) zijn als het leven: ces grands chefs-d’oeuvre ne commencent pas par nous donner ce qu’ils ont de meilleur (531:1-2).

Er bestaat een parallel tussen de moeizaamheid waarmee een muziekstuk zich laat ontmantelen (eerst de gemakkelijke frasen, later pas de moeilijke en voorheen onopgemerkte) en de tijd die het nodig heeft om tot een vollediger – en in grote mate toekomstig – publiek door te dringen. Sommige delen, zeker van een ‘geniaal’ werk, blijven voor het actuele publiek ontoegankelijk omdat ze bij niets bekends aansluiten. Ze lijken bestemd voor een toekomstig publiek. Maar dit is een misleidende redenering. Ce qui est cause qu’une oeuvre de génie est difficilement admirée tout de suite, c’est que celui qui l’a écrite est extraordinaire, que peu de gens lui ressemblent. (531:28-31) Dit lijkt wel een autobiografische opmerking, maar de logica erachter is moeilijk te vatten. Want meteen geeft Proust een voorbeeld van ‘zijn tijd vooruit zijn’: de late kwartetten van Beethoven – maar hij heeft het niet over Beethoven maar over het werk, dat vijftig jaar nodig had om zijn nakomelingschap (postérité) te vormen.

Grote werken vormen hun tijd en – vooral – de tijd die komt. Het vergt van de kunstenaar een juist inschattingsvermogen om te weten in welke mate hij zijn tijd vooruit kan zijn – in welke mate hij in de toekomst, doordat, mede door hem, de tijd zal veranderd zijn, in retrospectief zal kunnen worden waargenomen als onderdeel van een brede beweging terwijl hij daar nu nog, door de ‘vreemdheid’ van zijn werk, buiten valt. Wat er ook van zij (deze weergave van – het moet gezegd – de nogal gammel door Proust verwoorde redenering schiet wellicht tekort), in de beoordeling van het kunstwerk moet le facteur du temps (532:31; ‘de factor tijd’) meegerekend worden.

Marcel mag dan wel de sonate niet begrijpen, hij hoort Mme Swann toch spelen en wat hij hoort lijkt hem, door de synesthesie met andere zintuiglijke indrukken – comme le parfum de son escalier, comme ses manteaux, comme ses chrysanthèmes (532:43-533:1) –, deel uit te maken van un tout individuel et mystérieux, dans un monde infiniment supérieur à celui où la raison peut analyser le talent (533:1-3). Meteen heeft Proust zijn hele muziektheorie, die hij in de vorige alinea omstandig heeft ontwikkeld, onder het tapijt van de liefde geschoven en weggerelativeerd!

Swann vertelt wat hij nu in de sonate hoort, en meerbepaald in het motiefje dat hem destijds zo op sleeptouw nam: het spel van het zonlicht in het gebladerte in het Bois de Boulogne. De muziek verwijst voor hem in elk geval niet naar abstracte begrippen zoals la ‘Volonté en soi’ et la ‘Synthèse de l’infini’ (534:17-18). Marcel beseft dat dit een particuliere interpretatie is: la musique étant trop peu exclusive pour écarter absolument ce qu’on suggère d’y trouver (533:26-27). Het is zelfs een beetje gevaarlijk een dergelijke interpretatie op te dringen want je dreigt erdoor niets anders meer te kunnen ‘horen’. Zo is het helemaal niet zeker dat bijvoorbeeld Odette ook aan het Bois de Boulogne zou denken bij het beluisteren van de sonate.

Odette stelt voor om straks dan maar eens naar het Bois de Boulogne te wandelen. Door een associatie, die pas wat verderop wordt geëxpliciteerd en die te maken heeft met een zwarte man die in de Jardin d’Acclimatation werkt, die Mme Blatin een kameel zou hebben genoemd nadat zij hem voor négro (536:1) had versleten, begint ze nu over Mme Blatin: Marcel denkt ten onrechte dat zij een vriendin des huizes is. Swann treedt haar bij: de enige kwaliteit van Mme Blatin is dat ze op le portrait de Savonarole de Fra Bartolomeo (535:9-10) gelijkt. Swann heeft inderdaad de onweerstaanbare neiging om gelijkenissen van personen met voorbeelden uit de schilderkunst te vinden. En dat is een verdedigbare neiging want ce que nous appelons l’expression individuelle est (…) quelque chose de général, et a pu se rencontrer à différentes époques (535:12-16).

Geen opmerkingen:

geen verloren tijd


*